160
Oorlogsherinneringen van een 86-jarige

Met dank aan: Arend Jan Van den Berg

Mijn naam is Arend Jan van den Berg, geboren op 10 oktober 1933 te Lindenheuvel-Geleen.

1. 10 mei 1940. De Duitse inval.

Ik was toen op de kop af 6 jaar en 7 maanden. Wat ik mij herinner van die dag is dat ik ’s morgens al heel vroeg gewekt werd door hevig gebrom boven ons huis. Een geluid dat mij totaal onbekend voorkwam. Ik sliep met drie van mijn vier broers op een kamer op de eerste verdieping van ons huis. Na van de eerste schrik bekomen te zijn, ben ik toch maar uit bed gekropen en heb via een van de ramen van onze slaapkamer naar buiten gekeken. Het was een mooie lentemorgen, de zon kwam net op. Grote vliegtuigen met aan de voorkant grote glazen koepels, waardoor ik de piloten zo maar kon zien zitten, vlogen heel laag over de bomen rond ons huis. Op die vliegtuigen waren grote kruizen geschilderd. Hoewel het nog erg vroeg was, waren mijn ouders ook al opgestaan. Toen ik beneden kwam, mocht ik niet naar buiten. “Dat is veel te gevaarlijk, want het is nu oorlog” zei mijn vader.

Daarom gauw naar de zolder, waar we door het zolderraam over de bomen, die voor ons huis stonden, heen konden kijken. Wij woonden nogal landelijk aan een grindweg, die verderop overging in een landweg, waarlangs aan weerszijden bosjes grensden. In die straat, die toepasselijk Koestraat heette, stond nog een woonhuis en een boerderij. Over die bomen heen konden we de verharde weg zien, die naar het plaatsje Stein leidde. (Foto 2) Over die weg marcheerden in lange colonnes soldaten in grijze pakken met het geweer over de schouder en hun bepakking op de rug. De colonnes werden afgewisseld met een soort huifkarren getrokken door paarden en af en toe een vrachtauto.

’s Middags ben ik met mijn moeder nog achterop haar fiets boodschappen wezen doen in zo’n winkel met het opschrift boven de deur “Koloniale Waren”. In die winkel troffen we een aantal soldaten, die ook allerlei inkopen deden. Wat me opviel was dat ze het vooral gemunt hadden op chocolade repen en sigaretten. Ook betaalden ze hun inkopen. Toen we weer buiten kwamen, kwam er een soldaat naar ons toe en hij wees naar het stuur van de fiets van mijn moeder, waarbij hij iets zei. “Wat zei hij” vroeg ik haar. Mijn moeder antwoordde: “Dat plaatje hebben we nu niet meer nodig”. Dat plaatje was het fietsplaatje, dat in het midden van het stuur onder een schroef was bevestigd. Het diende als bewijs, dat de fietsbelasting voor dat jaar was betaald. Zoals men tegenwoordig als autobezitter ieder jaar wegenbelasting moet betalen, moest men dat toen ook voor het bezit van een fiets.

Later in de late namiddag kwam er plotseling een vijftal soldaten bij ons achterom het woonerf oplopen. Uit de schuur haalden ze een grote wastobbe, die ze vol water lieten lopen. Ik denk, dat ze dat wel eerst hadden gevraagd, want ze waren wel vriendelijk tegen ons. We mochten ze helpen hun laarzen uit te trekken, wat heel wat trekwerk betekende. Ook deden ze hun tuniek uit, zodat we hun blote borsten en spierballen konden bewonderen. Nadat ze zich gewassen hadden in de buitenlucht, deden ze zich tegoed aan gebakken spek met eieren, dat mijn moeder had klaargemaakt. Mijn vader, een echte Amsterdammer, was het daar niet mee eens. “Moet je die moffen ook nog zo verwennen” mopperde hij. Daarna was er ineens een of andere commandant, die tegen die soldaten begon te schreeuwen. Ik verstond er niets van, maar ze waren wel gauw vertrokken. Dat het kostje van mijn moeder hun beter had gesmaakt dan hun soldatenrantsoen bleek de volgende dag, toen ik in de bosjes voor ons huis een hoopje witte rijst met zwarte pruimen erin vond.

2. 5 Oktober 1942; Bombardement van Geleen.

Het moet rond 10.00 uur ’s avonds geweest zijn, toen moeder ons wekte. “Gaauw, gaauw “, zei ze, “vlug uit bed, aankleden en naar beneden.” Boven ons huis was er opnieuw geronk van vliegtuigen. Buiten was de nacht helder verlicht door lichtend vuur, dat langzaam naar beneden kwam. Het leek wel een kerstboom, die in brand stond. Verder weg hoorden we harde knallen, die nadreunden ook in ons huis, waar in de kasten de kopjes en schoteljes rinkelden.

“Ze bombarderen de mijn” zei mijn moeder. Achteraf bleek, dat het Engelse bommenwerpers waren, die zich vergist hadden, omdat ze de Maas voor de Rijn hadden aangezien en daardoor dachten, dat ze al boven Duits grondgebied waren. In de keuken stonden twee van mijn broers en ik langs de muur dicht bij de deur naar buiten. Die deur rammelde in het slot, telkens als er ver weg weer een bom viel. Moeder zat aan de rand van de tafel met mijn jongste broertje van vijf jaar op schoot. Zij zat telkens te bidden. Vader was niet thuis, hij had nachtdienst op de mijn.

Plotseling hoorden we een heel raar snerpend geluid, gevolgd door een enorme klap. Wij vlogen verdoofd door de keuken en kwamen onder de keukentafel weer enigszins tot bedaren. Een enorme ravage in de keuken. Alle ramen waren kapot, het glas lag overal in het rond. De keukendeur was helemaal kapot en uit de scharnieren gerukt. We konden zo naar buiten kijken. In de muur boven het aanrecht liep een brede horizontale scheur.

Toen we naar buiten liepen, hoorden we verderop kinderen huilen. Wat bleek nu. Tegenover een boerderij stonden grote korenmijten op het veld van wel acht meter hoog. Korenmijten werden als het ware opgebouwd doordat de boeren de korenschoven op een bepaalde manier opstapelden in afwachting van het dorsen. Wat bleek nu, een gezin had een schuilplaats gezocht onder in zo’n korenmijt. Een brandbom had een van die mijten getroffen. Het vuur dat aan een kant opflakkerde groeide snel uit tot een grote vlam. Na korte tijd had het droge stro vlam gevat en stond alles in lichter laaie. Een enorme vuurgloed, waarvan we de hitte zelfs op 100 meter afstand konden voelen. Moeder bracht ons naar een andere boer bij ons in de straat, waar we nog enkele uren in de kelder hebben gezeten met de boer, de boerin en hun dochter. De kelder bij die boer was anders dan bij ons thuis. Ronde gewelven en de vloer was van gewoon leem.

Het moet rond vier uur geweest zijn, toen de vliegtuigen weg waren en we weer naar huis konden. De korenmijten stonden nog in brand en we roken de geur van verbrand graan, een soort bierlucht. Thuisgekomen bleken alle ramen aan de achterzijde van ons huis kapot te zijn. Moeder haalde het glas uit de bedden, zodat we toch nog even naar bed konden. Vader kwam ook kijken naar de schade, maar hij moest weer terug naar de mijn, waar ook brandbommen waren terechtgekomen. ‘s Morgens stuurde moeder ons toch naar school. Op school zaten we stil in de klas. De meester vertelde dat Geleen heel zwaar getroffen was. Veel huizen waren vernield of stonden in brand. Mensen zaten nog bekneld en opgesloten onder het puin in de kelder. Er waren wel honderden doden en heel veel gewonden.

Later die morgen, tijdens het speelkwartier, kwamen er mijnwerkers langs, lopend op weg naar huis. Ze hadden hun werkpakken aan, hun helmen met van die koplampen op en ook hun schoenen met stalen neuzen nog aan. Ze waren pikzwart van het kolenstof. Aan de hand hadden ze hun fiets, die helemaal zwart geblakerd was, het zadel was verbrand en de banden waren gesmolten. Ze moesten dus wel lopen.

Door een bominslag op de mijn was de elektrische stroom uitgevallen, waardoor de liften niet meer werkten. Sommige van die mijnwerkers hadden wel 300 tot 500 meter moeten klimmen in de schacht om weer boven te komen vanuit de ondergrondse mijngangen. Tot overmaat van ramp waren de fietsenloodsen afgebrand, waardoor er van hun fietsen ook niet veel meer over was. ‘s Middags hoefden we niet naar school. We besloten eens een kijkje te gaan nemen in Geleen. Ver kwamen we echter niet, omdat de straten afgesloten waren. Overal werden er nog mensen onder het puin vandaan gehaald en werden doden en gewonden afgevoerd.

Op de terugweg zagen we in de verte nog rook boven een boerderij hangen. Daar zijn we toen wel gaan kijken. Nou verschrikkelijk. De boerderij was geheel afgebrand. Alleen de muren stonden nog overeind. In de stallen lagen geheel of gedeeltelijk verbrande varkens en koeien. Er hing een verschrikkelijke stank, die ik nog weken in mijn neus had.

Zo’n 100 meter achter ons huis stond een bosje met daarachter weer een oude boerderij met van die lemen muren. Wij zijn daar ook nog gaan kijken. De boerderij was met de grond gelijk gemaakt. Even verderop was een diepe krater van wel drie meter diep en 15 meter in diameter. Daar was de bom ontploft, die ook ons huis aan de achterzijde zo had beschadigd. In de rand van de krater zaten allemaal metaalscherven, die vlijmscherp waren. Die waren uiteraard van die bom.

Toen we weer thuiskwamen die middag, was daar al hard gewerkt door enkele timmerlui. De achterdeuren waren met rechthoekige ijzers weer in elkaar gezet. Er was uiteraard zo snel geen glas te krijgen voor in de ramen. Daarom had men boven in de slaapkamers de linoleum vloerbedekking maar opgenomen en daar passende stukken van gesneden om de ramen weer dicht te krijgen. Het gevolg hiervan was, dat het boven nu pikdonker was en de lamp voortdurend aan moest. Die herinnering zal me altijd bij blijven.

3. 17, 18 en 19 september 1944. De Duitsers trekken terug. De bevrijding.

Zondagmiddag, 17 september 1944, over de Oude Postbaan komende uit de richting Beek komt een lange colonne voertuigen en lopende soldaten; vrachtauto’s, trekkers met kanonnen erachter, tanks en ander materieel. Ze maken bij ons in de buurt halt. De voertuigen worden in de bosrand geparkeerd en afgedekt met gekapte boompjes en takken in de hoop dat de Amerikaanse en Engelse vliegtuigen hun niet zouden waarnemen. Soldaten, behangen met aaneengeschakelde patronen met kogels, liepen af en aan. Ze zagen er moe en afgetobd uit.

Die nacht hebben we in onze kelder geslapen. Vader zei, dat er die nacht wel eens zwaar gevochten zou kunnen worden, als de Amerikanen zouden aanvallen. Door het kelderraam konden we schuin omhoog kijkend die nacht lichtspoor zien. Er werd kennelijk toch op vliegtuigen geschoten. Verder bleef het rustig die nacht.

De volgende morgen bleken de Duitsers te zijn vertrokken, een vernielde bosrand achterlatend. In de boerderij verderop in ons weggetje had een Duitse eenheid (6 of 7 personen) wel de nacht willen doorbrengen in de hooischuur. ’s Nachts rond 03.00 uur zijn zij echter in de slaap verrast, overvallen en overmeesterd door een plaatselijk verzetscommando onder leiding van een zekere Thei Dautzenberg uit Stein. (Die Dautzenberg is later op 11 november 1944 gesneuveld in Nieuwstadt, nadat hij zich had aangemeld bij het Amerikaanse leger!).

Rond 08.00 uur die maandagmorgen werden de overmeesterde Duitse soldaten één voor één opgebracht, waarbij zij ons huis voorbij kwamen lopen. De laatste gevangen genomen Duitse militair, waarschijnlijk de commandant, want hij droeg een platte pet in tegenstelling tot de overigen, had nog een steelhandgranaat in een van zijn laarzen steken. Mijn vader maakte de begeleider, een geüniformeerde veldwachter uit die tijd, daar nog op attent. Maar deze antwoordde bars: “Bemoei je daar maar niet mee.”

Iets verder op een kruising had zich een aantal buurtbewoners verzameld, waaronder ook kinderen. De Duitse militair, die blijkbaar niet kon verkroppen door een niet militaire verzetsgroep te zijn gevangen genomen, trok toen die steelhandgranaat en wilde die tussen het publiek gooien. Zover kwam het echter niet, want hij werd door een doortastende buurtbewoner met een ijzeren stuk gereedschap hard op zijn hoofd geslagen, waardoor hij het bewustzijn verloor. Later is hij door Amerikaanse soldaten, die rond 09.00 uur arriveerden verbonden en afgevoerd. ‘s Middags heb ik in de brandnetels langs de weg nog zijn zwarte lederen koppelriem met patroontassen en een bajonet gevonden.

Het Amerikaanse leger is die maandag 18 september 1944 langs die Oude Postbaan in Noordelijke richting opgerukt, maar werd in de bruinkoolgroeve (Hessenberg) opgehouden. Die hele dag is daar toen geschoten. Enkele gewonde Amerikaanse soldaten werden per jeep afgevoerd in Zuidelijke richting. Op dinsdag 19 september 1944 in de morgen hebben de Amerikanen hun opmars voortgezet. Die middag ben ik met een jongere broer en enkele oudere jongens uit de buurt in de bruinkoolgroeve gaan zoeken naar koperen patroonhulzen, die er talrijk lagen. Omdat die Amerikaanse soldaten ons trakteerden op chocolade zijn we met hen meegelopen naar de Noordelijke bosrand van het bruinkoolgebied, waar nog enkele tanks in vuurstelling stonden.  Immers de Duitse troepen waren die morgen (19 september) verder teruggetrokken richting Limbricht en Sittard.

Op de kruising destijds van de “Oude Postbaan” en de “Bergerweg” waar nu een viaduct over de A2 ligt, stond aan de overzijde een Duitse personenauto met erin de verminkte resten van een Duitse legerarts en zijn oppasser. Die zijn toen enige tijd begraven geweest aan de rand van dat kruispunt. Enige tijd heeft daar een kruis gestaan. Daarna zijn we enkele honderden meters via de Bergerweg richting Einighausen gelopen, tot aan een boerderij die er thans nog staat. Iets voor de boerderij stond een Duitse Legerauto, waar in de zijkant een groot rond gat zat, kennelijk van een granaatinslag.

De bemanning van dit voertuig moet zijn gevlucht langs de bosrand richting Limbricht. Ver zijn zij echter niet gekomen, want zij werden neergeschoten. In het weiland, grenzend aan het bos, achter de boerderij lagen twee gesneuvelde Duitse soldaten. Een van die twee had een geopende portefeuille nog op zijn borst liggen. Een foto van zijn vrouw met kinderen was zichtbaar. Iets verder in het akkerveld lagen nog drie of vier dode soldaten achter elkaar, liggend op hun gezicht met de armen en handen vooruitgestoken. Zij waren niet verminkt, je kon nauwelijks zien waar ze getroffen waren.

De Amerikaanse soldaten doorzochten de lijken en haalde de portefeuilles en beurzen daarbij tevoorschijn, die ze doorzochten. Ze haalden er af en toe iets uit, ik neem aan dat het Amerikaans geld is geweest, waar die Duitse soldaten volgens hun ook niet rechtmatig aangekomen konden zijn. Deze belevenis heeft als kind een diepe indruk bij mij achtergelaten, voor het eerst in mijn nog jonge leven werd ik geconfronteerd met dode Duitse soldaten, die je in de jaren daarvoor zoveel angst hadden ingeboezemd.

Navraag heeft mij geleerd, dat die lijken aanvankelijk waarschijnlijk in Sittard begraven zijn en later overgebracht naar de Duitse begraafplaats te Ysselstein. In oktober 2013 heb ik deze begraafplaats bezocht in de hoop de graven te vinden. Maar dat was onbegonnen werk. Wel heb ik met enkel nabestaanden van daar begraven Duitse soldaten gesproken. Zij waren ervan overtuigd, dat deze gegevens van grote waarde zouden zijn voor de betreffende families, indien deze kon worden opgespoord.

4. Selfsupporting in oorlogstijd.

In de bezettingstijd ontstond er geleidelijk een steeds groter tekort aan levensbehoeften. Dat kwam enerzijds doordat de Duitse bezetter allerlei grondstoffen en producten naar Duitsland brachten en anderzijds doordat de toevoer vanuit het toenmalige Nederlands Indië niet meer mogelijk was. Om alles zo goed mogelijk te verdelen werd een bonkaartensysteem ingesteld. Op vertoon van een zogenaamde stamkaart met pasfoto en vingerafdruk kon men elke maand een aantal bonkaarten op het distributiekantoor afhalen. Zo had je aparte bonnen voor brood, vlees, boter, textiel, schoenen, sigaretten, tabak, enz. Hoeveel er verstrekt kon worden stond op zo’n bon, bijvoorbeeld 100 gram brood of vlees, één paar schoenen, enz. Na verloop werden die bonnen belangrijker dan geld, er ontstond zogenaamde zwarte handel en ruilhandel.

Wij woonden in het buitengebied, weinig huizen, enkele boerderijen, veel akkerland afgewisseld met bos. Mijn ouders hadden helemaal geen idee van een boerenbedrijf. Mijn vader was een echte Amsterdammer, die als machinist in dienst was geweest bij de Holland-Amerika lijn. Later had hij een baan gezocht aan de wal en was zo in Limburg terecht gekomen bij de chemische bedrijven van de Staatsmijn Maurits. Wij hadden een grote achtertuin, die weldra werd ingericht als akkerland voor groenteteelt, aardappels en ook rogge en tarwe. Verder gingen mijn ouders varkens en kippen houden. Dit moest je wel melden, waardoor bij het oogsten een aantal levensmiddelenbonnen werden ingehouden. In het begin kon daar nog enigszins de hand mee worden gelicht, omdat het controlesysteem nog niet zo efficiënt was. Zo gaf mijn vader niet alle geoogste tarwe op. Het probleem was dat je dat deel dan niet kon laten malen bij de molenaar. Mijn vader had daar iets op bedacht door een koffiemolen van Douwe Egberts te voorzien van een grote trechter, waardoor we zelf konden malen. Mijn moeder bakte daar dan zelf brood van. Voor mijn drie broertjes en ik bracht dat het probleem mee, dat we vaak op de vrije woensdagmiddag moesten draaien aan die zwengel van de omgebouwde koffiemolen, waarbij de graankorreltjes in die grote trechter maar langzaam naar beneden zakten.

Een andere bezigheid was het zelf maken van boter. Mijn moeder haalde bij de boer volle melk en roomde die dan af. Die room ging dan in een grote melkfles, waarin een kleine kiezelsteen was gedaan. En dan maar schudden totdat er kleine vlokjes boter ontstonden, die dan aaneen klonterden.

In de oogsttijd, juli en augustus, gingen we aren lezen. Bij het maaien bleven er op de graanvelden altijd aren achter. Die mochten we dan van de boer oprapen en als we er genoeg hadden werden die bij elkaar gebonden tot busseltjes. Thuis werden die dan op een primitieve manier gedorst. Het graan werd gemalen of moeder kookte er een soort broodpap van. Het was dus wel behelpen, maar we hebben daardoor in de oorlog nooit honger moeten lijden, zoals de mensen in Noord-Nederland in de hongerwinter. Ook vaders familie uit Amsterdam kwam vaker bij ons logeren, zodat die er ook van konden profiteren.

In november, de slachtmaand werden de varkens geslacht. Een huisslager kwam dan slachten, een bloederige bezigheid, waar je wel aan gewend raakte. De slager stak het varken in de hals en dan mocht ik het bloed opvangen in een koekenpan, waarbij ik het voorpoot van het varken telkens op en neer moest bewegen, waardoor er telkens een golf bloed tevoorschijn kwam. Het opgevangen bloed ging in een emmer, waarin voortdurend geroerd moest worden, anders ging het bloed klonteren.

Moeder maakt daarvan dan een soort brei, met spekjes en boekweitmeel. ‘s Morgens werd dat gebakken en was heerlijk. Na het slachten werd het varken opgehangen op een ladder en moest dan een nacht afsterven. De dag daarna werd het dan gestukkerd, d.w.z. opgedeeld in stukken: twee hammen, zes zijden spek, twee strengen koteletten, buikvet, enz. De hammen en het spek werden gepekeld met veel zout en werden daarna in de kelder in een grote houten kuip gelegd, waar ze zes weken in moesten blijven. Daarna hingen ze te drogen met grote vleeshaken aan de zoldering in onze keuken. Moeder sneed er dan af en toe een reep van af. Zo kwamen wij de winter door.

5. Zelf repareren.

Banden voor de fietsen waren na enige tijd ook niet meer verkrijgbaar. In de steenkolenmijn Maurits in Geleen gebruikte men hoge drukslagen, die dezelfde omvang hadden als de fietsbanden. Met ijzeren haken konden die om het wiel worden geklemd. Zo kon men toch weer naar het werk op de mijn fietsen, hoewel de vering beduidend minder was. Schoenen werden ook schaars. In de plaats daarvan kwamen houten tripjes, plankjes op maat van de voet, die met riempjes om de voet werden gebonden. Met regen en sneeuw geen ideale oplossing. Bovendien gingen die riempjes erg gauw kapot.

6. Inleveren.

Korte tijd na de Duitse inval moesten de radio’s worden ingeleverd. De Duitsers wilden daarmee het luisteren naar de Engelse zender verhinderen. Later moesten ook alle koperen voorwerpen worden ingeleverd. Ook de kerkklokken werden uit de kerktorens gehaald. De Duitsers maakten daar de hulzen van voor de kogels in de kanonnen en geweren. Mijn ouders hebben hun koperwerk niet ingeleverd, maar in een grote houten kist in de tuin begraven en na de bevrijding weer opgegraven. Het koper was toen helemaal donkergroen uitgeslagen en moest met veel moeite weer opgepoetst worden. (Foto 3)

7. Surrogaten.

Na verloop van tijd waren veel levensmiddelen niet meer verkrijgbaar. Men verving die door surrogaten. Voor roomboter kwam er margarine, voor zeep een soort zandzeep die erg schuurde, voor koffie kwam er Buisman, thee werd ook vervangen door gedroogde blaadjes, tabak door eigen teelt van soortgelijke planten. Ook textiel werd vervangen. Het stof van broeken werd hard wanneer het nat was geworden. Ook de koperen cent, de vierkante nikkelen stuiver, het zilveren dubbeltje en kwartje met de afbeelding van koningin Wilhelmina er op werden vervangen door zinken munten. Speelgoed was er ook nog maar weinig. We maakten zelf een voetbal door van een aantal kranten een prop te maken en die in een oude sok te stoppen. Spelletjes zoals tikkertje of verstoppertje waren ook in.

8. Dwang.

De Duitse bezetter duldde geen tegenstand of weerstand. Direct na de bezetting werden tal van organisaties verboden. Zo ook de padvinderij. Wij hadden echter de betreffende spullen bewaard. Toen enkele knullen van de Hitlerjugend onze riemen zagen, pakten ze ons de gespen af onder bedreiging van hun dolkjes. Die knullen hadden vroeger naast ons gewoond. Diezelfde dag kwam de moeder van die knullen excuus aanbieden met enkele andere gespen. Ze zei daarbij dat ze als ouders niets meer over hun eigen kinderen te zeggen hadden nu die naar de Duitse School gingen. Mijn moeder wilde die andere gespen echter niet aannemen, maar de eigen gespen terughebben. Maar dat ging niet.

Toen de deportaties van de joden begon werd er ook in Limburg gestaakt op de steenkolenmijnen. De Duitsers maakten echter korte metten en schoten 12 mijnwerkers dood. Hun foto’s werden op grote plakkaten opgeplakt ook op de pilaren onder het afdak van de speelplaats op onze school. Mijn vader werd door een aantal soldaten opgehaald. Hij was productieleider van een nitraatfabriek van de Staatsmijnen. Nitraat was een belangrijke grondstof om springstoffen te maken, vandaar dat hij werd gedwongen om de fabriek weer in bedrijf te stellen. Gelukkig kwam hij de volgende dag weer thuis. De schrik zat er bij ons nu ook goed in.

In augustus 1944 toen de Amerikaanse en Engelse legers dichterbij kwamen, sloegen de NSB-ers en andere landverraders op de vlucht. In de oorlog hadden zij inkopen kunnen doen in speciale winkels waar wel van alles te koop was. Nu haalden zij die winkels leeg. Mijn moeder ging met haar vier zonen naar een schoenenwinkel, waar zij voor de oorlog ook vaak inkopen had gedaan. Zij werd echter herkend door een van die NSB-ers, die een Duitse soldaat, die buiten op wacht stond, waarschuwde. Met het geweer in de rug werd mijn moeder toen naar buiten gedongen. Wij daar huilend achteraan omdat wij dachten dat ze haar zouden doodschieten. Gelukkig is dat niet gebeurd, maar zoiets vergeet je niet.

Geleen, Arend Jan van den Berg.

Waar

Wanneer