154
Onderduikers in de Castenrayse Vennen

Met dank aan: Jan Strijbos

Onderduikers in begin november 1944 in ’t Câssels Broek in de schuilhut, gemaakt van hout met daarover heen een zeildoek. Het geheel was goed gecamoufleerd. Op de eerste foto staan staand v.l.n.r.: Arie Nauwens; een Zuid-Limburger; Cor van Etten uit Eindhoven; Jaap van Terheijden uit Bergen op Zoom; een Zuid-Limburger; Toon Peeters uit Castenray; Wim Geerets uit Castenray; Harrie Weijs uit Castenray; Wiel Heijnen; een Zuid-Limburger. Op de voorgrond rechts Driekus Smits en links Jeu Geerets en daarachter Wiel Smits, alle drie uit Castenray. Op de derde foto staan, achter v.l.n.r.: Jaap van Terheijden; Arie Nauwens; Wim Geerets; Wiel Heijnen; Harrie Weijs. Voor v.l.n.r.: twee Zuid-Limburgers en rechts Toon Peeters. Op de vierde foto v.l.n.r.: Toon Peeters; Wiel Heijnen; een Zuid-Limburger die bij de spoorwegen werkte.

De stokken dienden als steun bij het springen van stobbe naar stobbe. De schuilhut lag op een klein eilandje in het moeras. Vanuit de weilanden van de familie Geerets aan de Lollebeekweg kon men al springend van stobbe naar stobbe het eilandje bereiken om kleding, voedsel en andere benodigdheden te brengen.

Tot de Duitsers op zekere dag bemerkten, dat de jonge Joost Weijs met proviand in de richting van `t Broek liep. Toen Joost weer terugkwam, stond een Duitse soldaat hem op te wachten bij een kippenhok, zo`n vijftig meter achter het huis. Hij rukte het deksel van de koffiekan, rook eraan en snauwde: ‘Kaffee, Partizanen!’ en sloeg direct alarm. Op iedere hoek van het huis werd een post met een mitrailleur neergezet, zodat niemand meer kon ontsnappen om de onderduikers te waarschuwen. Met een geweerloop in zijn rug werd Joost gedwongen om enkele soldaten naar de schuilhut te gidsen. ‘Dan ga ik mee’, zei zijn vader en zo liepen ze richting `t Broek.

Ondertussen waren vijf personen van de groep onderduikers op verkenning gegaan. De achterblijvers werden plotseling opgeschrikt door de groep zwaar bewapende Duitsers, die Joost en zijn vader voor zich uitdreven. ‘Hände hoch! Wo sind die Waffen?’ Ze vertelden dat ze geen wapens hadden.
De bedden werden overhoop gehaald en alles werd doorzocht. En de onderduikers werden grondig gefouilleerd, maar er waren geen wapens.

Onder bewaking van de zwaar bewapende Duitsers keerden ze terug naar de woning van de familie Weijs aan de huidige Lollebeekweg, waar de onderduikers bij het varkenshuis ondervraagd werden over hun motieven en waar het vooral om ging, of ze partizanen waren. Toen de Duitsers uiteindelijk tot de conclusie kwamen dat ze dat echt niet waren, besloten ze dat de onderduikers naar Duitsland zouden worden afgevoerd om daar tewerkgesteld te worden.

Onder bewaking van enkele soldaten ging het te voet richting Venlo. In Horst aangekomen, zagen ze de puinhopen van een geallieerd bombardement van enkele dagen eerder. Ook hier was de bevolking geëvacueerd en alles zag er troosteloos uit. Dat bracht de onderduikers op het idee om te vragen of ze in Horst mochten puinruimen. Waarom helemaal naar Duitsland gaan, als hier zoveel werk was? Tot hun grote verbazing werd het voorstel serieus genomen en na overleg met een officier van de Sicherheitsdienst konden ze in Horst aan de slag.

Het heeft de onderduikers altijd zeer verbaasd, dat deze affaire zo met een sisser is afgelopen. Misschien hadden de Duitsers geen interesse meer, toen ze er van overtuigd waren dat het geen partizanen waren. Misschien zaten ze met hen in hun maag en waren ze blij, dat ze hen in Horst met een goede smoes konden vrij laten. De bevrijding was immers nabij en ze voelden wel dat de strijd verloren was.

 

Waar

Wanneer