161
Het verhaal van Rachel Cohen

Met dank aan: Jan Strijbos

“Wie één mensenleven redt, dat is alsof hij de hele wereld redt.”

Jeruzalem juli 1994

Voorwoord. Waarom pas nu?

Toen ik een familielid mededeelde dat ik in Yad Vashem voor de vijftigste verjaardag van m’n pleegzusje Truus, geboren 31 augustus 1944, iets wilde doen ten aandenken aan mijn pleegouders Jacobus en Allegonde Heldens-Joosten kreeg ik te horen; waarom pas nu? Toen ben ik gaan nadenken. Wat heb ik al die jaren gedaan en waarom pas nu begin ik aan dit kleine boekje. In het kort geef ik een overzicht over de periode van voor, tijdens en na de oorlog. Dan is dit epistel mijn antwoord, ook op de vele vragen die mij werden gesteld door mijn kinderen en kleinkinderen, als ook door mijn pleegfamilie in Holland.

Mijn naam is Rachel Erlanger-Cohen (op de foto derde van links) geboren 15 januari 1929 in Dieren, Rheden, getrouwd op 31 december 1952 met Akiba Erlanger die geboren was op 10 september 1921 in Luzern.

Hoofdstuk 1. Thuis

Moeder zat te tikken op de schrijfmachine toen plotseling de weeën begonnen. De dokter uit Doesberg werd besteld om de bevalling te doen. De rivier was bijna dicht gevroren, dus de dokter zei tegen mijn moeder: “Laten we maar vlug werken anders gaat de brug dicht en kan ik niet meer terug”. Zo kwam ik 15 januari 1929 op de wereld, net voor twaalf uur ‘s nachts. Mijn vader was zo trots als een pauw met zijn eerste dochter. Ik had een broer, Jaap, zestien maanden ouder. Mijn vader ging mij registreren bij de gemeente en ik kreeg de naam Sippora-Rachel-Sophie. We woonden in Dieren, maar verhuisden kort na mijn geboorte naar Doesburg, mijn vaders geboorteplaats. Vader deed aan de textielhandel en moeder was zijn secretaresse en huisvrouw.

Wat ik me nog van Doesburg herinner, is het huis van oma Betje en opa Jacob Cohen-Nihom op de vismarkt. De synagoge was er vlak naast. Daar gaf opa op de Hoge Feestdagen de leiding. Ik herinner me verschillende ooms en tantes, onder andere tante Jet met hun kinderen Betje, Joop, Jaap, Roosje, Carla en Louis in de Beitelstraat. En daar was oom Izak Cohen, de broer van vader, die werkte als hoge beambte aan het Joodse ziekenhuis in Amsterdam. Hij heeft als zodanig velen kunnen redden, ook moeder. Hier komen we later op terug.

Wij woonden op de paardenmarkt waar elk jaar kermis was. We hadden dan de “steile wand” voor de deur met razende motorfietsen, draaimolens etc. Ook mocht ik elke dag op de Belgische knol van de vuilniswagen meerijden, een blokje rond. Eén dag was ik op de kleuterschool. Waarom zo kort weet ik niet. Ik herinner me daarvan alleen nog hoge zwarte muren, halverwege wit gekalkt en een grote potkachel in de hoek en hoge ramen. Dit was mijn hele kleuteropleiding.

Toen mijn broer Jaap zes jaar oud was, stuurden mijn ouders hem naar Amsterdam naar de Joodse Herman Elte school. Maar toen ik zes werd, verhuisden we naar Arnhem. Daar woonden mijn oom, Opperrabbijn Joel Josef Vredenburg en mijn tante Esther, geboren Hamburger met hun dochter Josine en zoon Izak. Oom Jo was de broer van mijn grootmoeder Rachel Jacobson Vredeburg, mijn grootvader heette Elias Jacobson. In Arnhem ging ik op school tot 1941. We woonden aan de Statenlaan 109. Vader ging van maandagmorgen tot donderdagavond op reis, meestal naar Limburg. Hij was grossier in textiel. Hij nam onderweg orders op en bestelde goederen in de fabrieken. Wanneer de goederen aankwamen dan pakten wij ze uit beneden onder aan de trap en gaven we pakjes ondergoed door naar boven, waar dat in het magazijntje terecht kwam. Dan legde pa alles netjes op de stellingen. Ma tikte de facturen. Pa deed de bestellingen in dozen. Hij leerde ons hoe in te pakken, papier precies op maat af te snijden. Ook leerden we hoe het plakband erop te kleven en touw te binden, dat het niet los zou gaan onderweg. Vader kocht ook tweede keus interlock ondergoed en waslappen. Dat werd per kilo aan de markt kooplui verkocht. Op zondag kwamen die meestal op bezoek. Bij zo’n bezoek werden de kooplui getrakteerd op koffie en boterkoek en Vader presenteerde sigaren.

Van Arnhem herinner ik me vooral de Joodse school, die wij elke zondagmorgen en woensdagmiddag bezochten. Wij kregen les van de heer Pinto. Hij gaf les aan de eerste en zesde klas, de tweede en de vijfde klas kregen les van de heer Modievsky, en de derde en vierde klas van de heer Boas. Joodse letters leerden we uit een boekje van de vorige eeuw, Hollandse woorden in Hebreeuwse letters. De jongens leerden lezen uit de Torah en de meisjes mochten er bij aanwezig zijn. In 1939 kwamen heel wat vluchtelingen naar Holland en waren de klaslokalen en gangen vol matrassen om de kinderen uit Duitsland op te vangen. We hadden een goede jeugdsjoel, waar elke Shabbatmorgen dienst gehouden werd.

Door de week moesten wij bij een van de leidsters thuis psalmen repeteren, om luid voor te lezen tijdens de jeugddienst. Behalve de jeugdsjoel hadden we ook een jeugdbeweging. Die heette Akabya, opgericht door de heer Max Finkei. Shabbatmiddag hadden we shioer (les) en zondag handarbeid. Kraaltjes verven, stof schilderen, figuurzagen etc. Dat was enig. Ook leerden we toneelspelen. Toen ik op vijfjarige leeftijd op het podium verscheen als engel in een witte lange laken jurk, hield ik die heel hoog om niet te vallen. Vanuit de zaal riep ma: “Zakken!”. Zij bedoelde daarmee dat ik mijn jurk moest laten zakken. Ik begreep er echter niets van, dus ging ik zakken en zat ik in m’n witte jurk op het podium tot ma mij kwam helpen. De rest is verder goed verlopen! Vaak maakten we uitstapjes. Elk jaar. Toe bisjwat aten we vruchten uit Palestina. De heer Finkei was onze hoofdleider, hij vertelde ons vaak spannende verhalen.

Op de Joodse school vertelden vriendjes dat ze brieven uit Palestina ontvingen, en dat daar Joodse politie agenten waren, Joodse landarbeiders en sinaasappels aan de bomen. Voor ons was zo’n brief een belevenis. Wij hadden geen familie (zover toen mij bekend) in Palestina. Wel wisten wij dat er een Beth Am was die blauw – witte vlaggen hadden, maar daar mochten wij niet naar toe! Wij waren zogenaamde Agoedisten (niet Zionisten). Wat dat betekende wist ik toen niet en nog minder wat de betekenis was van Zionisten. Later wist ik het natuurlijk wel. Wij hadden onze Akabya en dat was zonder politiek.

Toen we in 1941 niet meer doen konden wat we wilden, werd ons een lokaal gegeven om te pingpongen en andere spelletjes te doen. Dit was een goed middel om de kinderen zo min mogelijk op straat te laten lopen, want dat was gevaarlijk geworden! Alles ging z’n gewone gang. Er werden nog vier kinderen geboren; Elie in 1931, Betje in 1933, les (Piet) in 1935 en Esther in 1940.

Hoofdstuk 2. De oorlog

Tot in mei 1940 de oorlog uit brak. Dat wil zeggen voor ons Nederlanders. In het oosten van Europa was er oorlog sinds september 1939. De enige die goed voorbereid waren op oorlog in Europa, dat waren de Duitsers. In 1936 bezetten zij zonder slag of stoot het Rijnland, wat volgens de vredesovereenkomst van de Eerste Wereldoorlog (Versailles) als waarborg moest dienen voor de schade betalingen van Duitsland aan Frankrijk. In 1938 voegde Hitler Oostenrijk bij Duitsland (Der Anschluss), ook dat zonder slag of stoot. In 1938 en 1939 voegde Hitler Tsjecho-Slowakije toe aan het grote Duitse rijk, weer zonder oorlog.

Als de grote naties Engeland en Frankrijk toen maatregelen genomen zouden hebben was er nog wel wat aan te doen, maar die hielden zich bezig met hoge politiek en vredesovereenkomsten tussen Duitsland en Engeland, tussen Duitsland en Rusland, tussen al de Naties die enkele jaren later in een oorlog op leven en dood zouden zijn gewikkeld. In 1938 confereerden Hitler, Chamberlain (Engeland), Mussolini (Italië) en Daladiër (Frankrijk) in München en dat alles op rekening van dezelfde burgers, die de prijs eerst in geld en wat later met hun bloed moesten betalen!

Op 1 september 1939 valt Duitsland Polen binnen vanuit het westen en Rusland doet hetzelfde vanuit het Oosten. Op 27 september gaat Polen door de knieën en daar mee is het lot van miljoenen mensen, waarvan een groot percentage Joden, bezegeld. Op 9 april 1940 valt Duitsland Noorwegen en Denemarken aan, ook hun lot is een paar dagen beslist. Toen was het onze beurt. Op 10 mei, om 4 uur ‘s ochtends, worden Holland, België en Luxemburg onder de laars gelopen. Alhoewel de geur van het buskruit al lang in de lucht hing, was het toch een verassing voor de Nederlanders in het algemeen. Zij wilden namelijk in hun neutraliteit geloven, zoals zij neutraal waren gebleven in de Eerste Wereldoorlog, en zoals ook Hitler ze had beloofd.

Toen de oorlog uitbrak was er een scherp tekort aan wapens. Kanonnen werden uit musea gehaald om te trachten de ultra-modern gewapende Duitsers ermee te stoppen. Toen uiteindelijk Rotterdam werd gebombardeerd en enige duizenden om het leven kwamen, capituleerde Nederland. Dat was op 14 mei, dus na vier dagen. Brussel viel op 17 mei, dus na zeven dagen, Antwerpen op 18 mei en Frankrijk capituleerde op 22 juni. Met andere woorden: de Duitsers liepen het grootste gedeelte van Europa onder de voeten zonder zich al te veel in te spannen. (En dan vragen geschiedvervalsers nog: “Waarom hebben de Joden zich niet verzet!” Terwijl machtige, tot de tanden bewapende landen geen partij waren voor de Duitsers, wil men insinueren dat ongewapenden, door de plaatselijke burgers vaak gehate en achtervolgde mensen, zich zouden hebben kunnen verzetten!) De Duitse soldaten trokken het land binnen, en bezetten onze scholen. Voor ons leerlingen dus vakantie! Ik zei tegen vader: “Laten we naar de Veluwe gaan, daar zal wel geen oorlog zijn”. Maar, tot mijn spijt, werd mij uitgelegd dat daar hard werd gevochten aan de Grebbelinie. Veel begreep ik nog niet met mijn elf jaren.

Wij woonden langs de hoofdweg naar Duitsland. Zo zagen wij hoe de Hollandse soldaten als krijgsgevangenen naar Duitsland werden gestuurd.

Eerst waren de gevolgen van de oorlog niet merkbaar voor ons kinderen. De Duitsers gingen namelijk in West-Europa anders te werk dan in het Oosten. In Polen was de plaatselijke bevolking fel antisemitisch en steunden zij met veel plezier de Duitsers bij het achtervolgen, vernederen en vermoorden van het Joodse volk. De Polen hielpen ijverig mee om kinderen en oudere van dagen, zwangere vrouwen en jonge mensen op de meest gruwelijke manieren om het leven te helpen. Maar in West-Europa waren de Duitsers voorzichtiger, zij namen aan dat alhoewel de Nederlanders volbloed Ariërs waren, met blauwe ogen en blond haar, waar zelfs de Führer zich niet op kon beroepen, wist men dat de Nederlander met zijn goedmoedige natuur zich zou verzetten tegen de openlijke moord van onschuldige medeburgers. Dus de sluwe Mof moest zijn bloeddorst wat beheersen.

Geleidelijk begon hij de Joden af te scheiden van de rest van de bevolking. Op 23 november 1940 werden alle Joden ontslagen uit overheidsfuncties. De universiteiten van Leiden en Delft protesteerden daartegen en werden door de Duitsers gesloten. Op 22 februari 1941 werden de eerste razzia’s gehouden op Joden in Amsterdam. Ook dat ging niet zonder protest van een gedeelte van de Hollandse medeburger. Op 25 en 26 februari staakten de arbeiders van Amsterdam als solidariteitsdemonstratie met de vervolgde Joden.

Hoofdstuk 3. In het nauw

Maar lang hielp dat niet. In 1942 begon alles voor ons te veranderen. Op 29 April 1942 werd de Jodenster in Nederland ingevoerd. Van veraf kon men zien: daar komt een Jood aan. De eerste arbeiderstransporten werden opgehaald. We mochten niet meer in de parken wandelen. Op de cafés stond voor Joden verboden.

Voor de volwassenen was het leven nog veel moeilijker. Vaders zaak werd door de Duitsers gesloten en de waren werden ingepikt. Dus was vader zonder werk. Geen inkomen en een vrouw en zes kleine kinderen te onderhouden. Hoe het is gegaan weet ik niet, maar vader had plotseling een nieuwe “penoze” (inkomen); een “vriend” van hem had een kattenbak centrale opgezet met vaders schijnbaar bijna laatste geld. Ze brachten deur aan deur schone emaillen ronde bakken met turfafval waarin de katten hun afval deponeerden. De vuile bakken werden afgehaald terzelfder tijd. Lang heeft dat niet geduurd; die “vriend” is er schijnbaar met de winst van door gegaan. Diezelfde “vriend” is eens ‘s avonds laat bij ons langs gekomen. Hij deed net of hij een SS’er was. Hij stommelde op de trap alsof hij laarzen aanhad en riep in het Duits: “Ist Herr Cohen zuhause?” Vader verscheen doodsbleek boven aan de trap. Toen begon die “vriend” te schaterlachen. We hebben hem nooit meer gezien.

Daarna kwam de tijd dat het koper afgeleverd moest worden aan de Duitsers. We hadden leuke koperen spulletjes, of die de weg naar de Duitse rovers gegaan zijn, of naar de kelder weet ik niet, maar op het buffet stonden ze niet meer sindsdien. Ook de fietsen moesten ingeleverd worden. Het feit dat je je fiets kwijt was, was nog niet genoeg voor de Duitsers, ook werden de jongens en mannen opgeroepen om ze schoon te maken en te oliën. Zo gebeurde het, dat pa, te samen met een groep Joodse bewoners van Arnhem, op Tisha Beav ( een Joodse treurdag) aan het fietsen poetsen was voor de Duitsers. Dat was niet zo makkelijk op een vastendag die tot 11.10 uur ‘s avonds duurde. Maar vader hield vol en kwam ‘s avonds laat naar huis.

Ondanks dit alles ging het leren door en ik deed mijn toelatingsexamen voor de H.B.S. in Arnhem op het Willemsplein. Verder dan de boeken kopen of de boekenbeurs ben ik niet gekomen. Joodse kinderen gingen naar een geïmproviseerde school. Een oud huisje naast de Rijnbrug. Van het eerste jaar op de H.B.S. herinner ik me nog, dat we studenten hadden die les gaven en dat we wedstrijd hielden wie het slechtste cijfer voor Duits haalde. Ik haalde nogal wat kattenkwaad uit, hetgeen ten gevolge had dat ik bleef zitten in de eerste klas. Wij waren thuis niet gewend aan zitten blijven, dus moest ik eerst tranen tevoorschijn persen om met mijn schandalig rapport bij Vader aan te komen en dat lukte ook nog. Het tweede jaar op de H.B.S. was nog erger, elke dag kwamen namelijk minder leerlingen naar school. Of men dook onder of werd weggevoerd…

Wij hadden een wiskunde leraar die zei: “Volgende les misschien in Polen”. Waarop ik zei: “Ik ga niet mee daar naar toe”. Waarop hij zei: “Ga je dan aan de weg zitten en zeg je ik ben vondeling van beroep?!”. Helaas heb ik hem nooit meer gezien nadien en kon ik hem niet vertellen hoe ik uiteindelijk gered ben.

Op 10 april 1943 moesten alle Joden uit de provincie weg zijn. Zoals de Duitsers dat noemden: “Judenrein”. Wij kregen een “Sperr” uit Amsterdam van de Joodse Raad en vader pakte daar pakjes in voor de mensen in Westerbork. We woonden in de Krugerstraat, Amsterdam Oost. Daar was het Ghetto. Elke avond reden de groene overval wagens door de straat met bewapende SS mannen. Zij stormden de huizen binnen en namen hele families mee op transport. Jarenlang hadden we rugzakken klaar staan naast de deur. Wij waren er op voorbereid dat ook onze beurt zou komen, en dan moest alles klaar zijn voor de reis naar Polen via Westerbork. Merkwaardig genoeg hadden wij altijd het gevoel dat de oorlog snel afgelopen zou zijn en dat wij het kamp wel zouden overleven met werken. Niemand wist eigenlijk precies wat er na Westerbork ging gebeuren

Pas na de oorlog hoorden we van ooggetuigen wat er gebeurd was. Vanaf 10 april 1943 ging ik op de Joodse H.B.S. in de Stadstimmertuin, waar de heer Jacobs de directeur was en ook de heer Coltof les gaf. Juffrouw Eitje was onze geschiedenislerares en stelde mij voor aan de klas met de hele geschiedenis van mijn voorouders. Zij had mijn voorouders zo goed gekend. Zoiets moet je overkomen als je veertien bent en als je als niet-Amsterdammer op een Amsterdamse school komt. Ook dat heb ik overleefd, zowel als de bombardementen van de Geallieerden die over A’dam vlogen en ons vaak op weg naar school of terug in de schuilkelder deden belanden, na het geloei van het luchtalarm. Leren deden wij niet veel. Ons hoofd stond daar niet naar! Elke dag werden kennissen en vrienden weggehaald. Het was nu alleen nog maar een kwestie van tijd. Wanneer zouden wij aan de beurt zijn?

Pesach 1943 in Amsterdam. Geen Matzes. Van de oorlogsgebeurtenissen wisten wij kinderen niet veel af, maar het tij was aan het keren, langzaam maar zeker. Ondanks de vredes-bond tussen Rusland en Duitsland viel Hitler op 22 juni 1941 Rusland binnen. Ook zijn bondgenoten: Finland, Italië, Slowakije en Roemenië verklaarden de oorlog aan Rusland. Rusland werd onder de laars gelopen, een maand later, 22 juli, bombardeerden de Duitsers Moskou vanuit de lucht en 30 september openden zij een groot offensief op Moskou, de Russische hoofdstad. Maar de Russen verdedigden zich taaier dan de Duitsers hadden verwacht. Moskou werd niet veroverd en Hitler besloot eerst het zuiden van Rusland te veroveren om hun af te sluiten van de olievelden in de Kaukasus. Op 9 augustus 1942 bereikten de Duitsers het oliecentrum Maikop. Op 23 augustus omsingelden zij de stad Stalingrad, die de Russen voor elke prijs wilden behouden, uit strategische en prestige overwegingen, en die Hitler voor elke prijs wilde innemen voor dezelfde redenen.

In de hemel was beslist dat hier de tiran zijn ondergang tegemoet zou gaan. Het was een dubbeltje op zijn kant! Het grootste gedeelte van Rusland was al onder Duitse controle, miljoenen Russen waren krijgsgevangen gemaakt (meer dan 11 miljoen Russen zijn omgekomen in de oorlog, inclusief Joden) en ook de rijke olievelden van Zuid-Rusland waren nu in Duitse handen. Maar op 19 november 1942 openden de Russen een onverwacht heftig tegenoffensief bij Stalingrad en drie dagen later was het Zesde Duitse leger omsingeld en werd in de pan gehakt.

Dat was het begin van het einde voor de Duitsers in Rusland. Langzaam maar zeker werden de Duitsers terug gegooid. Ook in Afrika ging het de Duitsers niet voor een leien dakje. Na eerst zonder al teveel moeite een groot gedeelte van Noord Afrika te hebben veroverd, kregen de Duitsers het hard te verduren door toedoen van een Brits bevelhebber: Montgomery. Op 23 oktober 1942 werden de Duitsers verslagen bij El Alamein, een plaats in Egypte niet ver van Alexandrië (Zoals de lezer kan concluderen, had het niet veel gescheeld en de Duitsers hadden ook het Midden-Oosten in hun klauwen gehad. Het is duidelijk voor iedere objectieve aanschouwer, dat het een puur wonder is dat het niet zover is gekomen en ook hier is het geschiedvervalsing om aan te voeren dat men de Shoah (Holocaust) had kunnen voorkomen door immigratie naar Palestina. Immers niemand kon voorzien of de Duitse klauwen Palestina wel of niet zouden bereiken en als daar in Palestina het grootste gedeelte van het Joodse volk zou zijn geweest in die tijd, had Hitler zonder twijfel heel wat meer divisies in Noord-Afrika in de strijd geworpen. Hij zag de Jood immers als zijn grootste vijand, zoals hij schreef in “Mein Kampf’, en het heeft dan ook maar een haartje gescheeld!), en Rommel, de Duitse bevelhebber moest zich terug trekken. In Nederland zeiden de volwassenen: Montgomery ruimt de rommel op. Maar dit alles betekende niet dat de Duitsers minder bloeddorstig waren geworden; de Joden vervolging ging overal door met dubbele ijver.

Hoofdstuk 4. Onderduik

25 mei 1943. Het was een paar dagen voor de Bar Mitswa van mijn broer Elie. Onze ouders hadden het onderduiken al lang voorbereid, en ook wij kinderen hadden begrepen dat er zo iets geprobeerd zou worden als wij de gelegenheid zouden krijgen. Mijn zusje Betje en ik waren de eersten. Wij namen een kort afscheid en stapten met bijna geheel lege handen op de tram naar het Centraal Station. Daar namen we de trein. Het gevoel om van openbaar vervoer gebruik te maken was heel raar. We moesten doen alsof wij met Ome Jan (Paul Terwindt) gewoon op reis gingen. Ome Jan ging de krant zitten lezen en wij keken uit het raampje. Zo arriveerden wij in Valkenburg. We werden ondergebracht bij een familie Van der Wilk. Hij was hoofd van de luchtbescherming in Valkenburg. Wij gingen door voor kinderen uit Rotterdam.

Als we met mevrouw in de stad gingen en ons werd gevraagd wie we waren, zeiden we heel zielig dat we uit Rotterdam kwamen. Omdat Rotterdam door de Duitsers voor een gedeelte plat gebombardeerd was, waren er veel evacués uit Rotterdam. Maar als ons gevraagd werd of we bij de dierentuin of bij het station gewoond hadden, veranderden wij gauw van thema, want ik was nog nooit in Rotterdam geweest. Later hebben we een beetje meer over Rotterdam geleerd om te kunnen antwoorden. Ook kregen we een dikke plak worst van de slagersvrouw cadeau, omdat we zulke arme vluchtelingen waren. Er was nog een Joodse jongen van een jaar of acht in huis. Die  jongen mocht katholiek worden van zijn moeder. Wij echter deden alles om niet op te vallen, zoals bijvoorbeeld bij het bidden aan tafel. Maar katholiek wilden wij niet worden… Ik had een pater die mij pianoles gaf, maar ik werd noch pianiste, noch katholiek. Het ging niet al te best tussen die familie en ons. Mijn zusje werd naar Yzeren naast Valkenburg gebracht, bij een familie waar ze bleef tot de bevrijding. Ook mijn broer Piet was in hetzelfde dorp. Hij verbleef bij een zwager en schoonzuster van Betjes pleegouders. In Yzeren was nog een baby ondergedoken. De Duitse soldaten zeiden van die baby: “Das Blibschen seht genau aus wie sein Mutter”. De boerin die hem op schoot hield, was maar wat blij met dat compliment. Betje en Piet waren dol op hun pleegouders. Ze werden dan ook als eigen kinderen behandeld. Na de oorlog kwam pa ze ophalen.

Ondertussen wisselde ik van adres en kwam bij een jong echtpaar op Schandelen bij Heerlen. Ik hielp in de huishouding. Maar ook dat was niet mijn eind-station. Ik moest weer verder, naar vrienden van hun. Daar hielp ik ook in de huishouding. Ik leerde schoonmaken, koken en kinderen verzorgen. Ik sliep op kussens op de grond. Ook deze familie kon zich de luxe van een inwonende hulp niet permitteren. De heer des huizes werkte in de kolenmijn en er woonde ook nog een opa in huis. Eens ging ik wandelen en kwam een niet Joods vriendinnetje tegen. Ze heette Francientje Haagsma. We hadden zes jaar samen in de klas gezeten. Zij kwam naar mij toe en vroeg: “Ben jij niet Rachel Cohen?”. Ik antwoordde haar meteen: “Ik ken jou niet” en liep verder. Wat zij hiervan dacht zou ik graag willen weten.

Hoofdstuk 4. De boerin

Zo kwam Ome Jan, die geregeld op bezoek kwam bij “zijn” kinderen, en nam mij mee naar een nieuwe onbekende bestemming. Nu reisden we richting Venray. Aangekomen op het station werd me een fiets in de hand geduwd. (Men had er niet aan gedacht dat wij Joden al in geen jaren fietsen bezaten). Ik moest maar achter Ome Jan aanrijden. Wat doe je in zo’n geval? Je stapt op en fietst. Met Gods hulp ben ik goed aangekomen en zelfs niet in de greppel, die heel diep was, gevallen. Schijnbaar had ik mijn beschermengel achter op de bagage meegenomen. Zo kwam ik op het Schoor terecht. Daar wachtten me “de Baas” en “de Vrouw”, zoals ik ze altijd noemde. Ze stonden klaar om mij te helpen. Ik kreeg een bed van stro, zoals toen gewoon. Een hele kamer voor mij alleen, ‘s nachts had ik muziek, want muizen zaten vaak aan het stro te knabbelen. Ik was er gauw aan gewend en voelde me echt thuis tot aan het einde van de oorlog. Ome Jan vertrok en ik bleef achter bij een heel lief jong echtpaar met twee kleine jongens, Jan van zo’n twee en een half jaar en Leo zo’n jaar oud. Dit waren heel bijzondere mensen.

Alhoewel de meeste Nederlanders geen felle antisemieten waren, waren er toch aardig veel die op de één of andere manier met de Duitsers samen werkten. Allereerst de Nederlandse politie. De Duitsers ontsloegen uit de politie die elementen die anti-Duits waren en diegenen die in dienst bleven, deden vaak actief en energiek mee met het opspeuren van Joodse onderduikers. De Nederlandse treinen, bedient door Nederlands personeel, brachten de gedeporteerde Joden naar het oosten van het land. Pas toen Nederlandse burgers – niet Joden- opgepakt werden om in Duitsland te werken, kwam er een oproep van de Nederlandse regering in Londen om de treinen stil te leggen door een treinpersoneelstaking. Andere Nederlanders waren actief in de Nederlandse S.S., er waren zo’n 5000 Nederlandse SS’ers.

Maar er waren ook Nederlanders die in de ondergrondse bewegingen tegen de Duitsers vochten. In zulke moeilijke tijden leert men te onderscheiden tussen de rechtvaardigen en de anderen. Het waren die Nederlanders die probeerden onderduik adressen te verzorgen voor de Joden die niet gedeporteerd waren en voor anderen die door de Duitsers werden gezocht. Zulke buitengewone, dappere en rechtvaardige mensen waren “de Baas” en “de Vrouw”.

De Vrouw was in verwachting van nummer drie. Ik leerde hoe je vuur moet maken met briketten en hoe te melken. Iedere morgen vroeg stond ik op om de koeien te melken met een jute schort voor, een rode hoofddoek en een eenpotig krukje. Ik leerde hoe je zorgen moest dat de koe niet je melk emmer omschopt en met haar staart je omhelst. Als het melken goed was verlopen ging ik met de emmers naar de 30 liter grote bus om die naar de weg te brengen, waar ze afgehaald werden om ze naar de fabriek te brengen. Er werd altijd melk achtergehouden en afgeroomd. In een verborgen hoekje stond een bus van 30 liter die verbonden was met een stok aan een ronde plaat met gaten. Van deze melk werd karnemelk en boter gefabriceerd. Dat was niet officieel! Zodra ik klaar was met het melken ging ik vuur maken voor het ontbijt, ik zette water op en maakte de benodigde voorbereidingen. Na het ontbijt werd afgewassen bij de pomp en gingen wij het veld op. Soms aardappels rooien, soms wortels uit de grond halen of schoven binden. Nadat de mannen, onder meer Jeu, de broer van de Vrouw, het koren maaiden, werd het gebonden (ook ik leerde binden), opgezet in lange rijen om te drogen. Dan werd gedorst met de machine, en werd het koren in zakken gedaan en het stro in pakken gebonden en te drogen gelegd onder een speciaal dak. Als we op het veld werkten kregen we brood en drinken mee. Heerlijk was dat even uitrusten en eten. Niemand kwam kijken hoeveel we werkten, het was immers vanzelfsprekend dat je je uiterste best deed om zoveel mogelijk klaar te krijgen.

Er was veel werk aan de winkel. De Vrouw deed de huishouding en de groentetuin. We hadden dus altijd alles vers uit de tuin. Ik hielp met de kippen, raapte eieren, gaf het vee te eten en maakte de stallen schoon. Ook leerde ik witten: ik stond op een tafel, waar een eierenkist op stond, waar een stoel op stond en daarop stond ik met m’n kwast. Gelukkig was ik in die dagen niet bang uitgevallen. “De Baas” was niet erg gezond en deed het lichtere werk in en om het huis. Er waren drie koeien op stal. Soms nam de Baas er één mee naar de stieren van de stierhouderij. Dat had gevolg: een keer moest Ria midden in de nacht opstaan om te helpen bij het kalveren. Ria, inmiddels 15, had nog nooit zoiets meegemaakt. Ze kreeg een eind van een stok in haar hand met het bevel: als ze zucht moet je trekken. Het resultaat: een kalfje… Ik voelde me een halve vroedvrouw. Kort daarna werd Ria weer ‘s nachts uit bed gehaald. Nu moest ze vuur maken en water koken. Toen ik vroeg waarom dit alles midden in de nacht, luidde het antwoord: de vroedvrouw is onderweg, de Vrouw moet bevallen. Ketels water moest ik koken. De vroedvrouw, de enige die vergunning had ‘s nachts te reizen, kwam op haar zware motorfiets aangeronkt. Na enige tijd kwam ” de Baas ” .”Een dochter”. Ik mocht even de Vrouw proficiat zeggen en meteen ging Truusje hoesten. “De Vrouw” zei: “Neem de baby even op, hou haar op d’r kop, doe je vinger in haar mond en haal het vuil eruit. Zo gezegd zo gedaan. Alles ging zoals het moest, maar niemand realiseerde zich dat ik nog nooit zo’n kleine baby in m’n handen had genomen. Sinds die dag voelde ik me weer half vroedvrouw. 31 Augustus 1944 werd Truus geboren. Veel merkte ik in deze tijd niet van de oorlog en verwoesting die die dagen heel Europa in vlammen zetten.

En niet alleen Europa. Letterlijk de hele wereld. Op 7 december 1941 bombardeerden de Japanners de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbour in de Stille Oceaan. Dat was een volstrekte verassing, terzelfder tijd waren er Japanse diplomaten in Amerika om vredesonderhandelingen te houden met hun Amerikaanse collega’s. (We kunnen goed leren van de Tweede Wereldoorlog, hoeveel waarde men kan hechten aan vredesverdragen). De Amerikaanse vloot werd genomen per verassing en de gevolgen waren catastrofaal, voor de Amerikaanse vloot die voor een groot gedeelte verdween naar de bodem van de Oceaan, en voor de Japanners, die door hun kortzichtige daad de machtigste van alle Naties ter wereld in de oorlog brachten, en voor de Duitsers, die, nadat zij zelf de oorlog verklaarden aan de U.S., direct na de Japanse aanval, er een machtige vijand bij kregen, die in de komende jaren veel zou bijdragen om de levensduur van het “Duizend jarige Rijk” kort na zijn geboorte, van duizend tot vijf jaar te verkorten.

Dat ging allemaal in het begin niet zo gemakkelijk, want ook de Amerikanen waren niet op oorlog voorbereid. Men had niet voldoende soldaten, laat staan getrainde soldaten, niet voldoende wapens, schepen, munitie en vliegtuigen en ga zo maar door. Maar nu werd er aan gewerkt en niet alleen op de gewone werkuren, maar vierentwintig uur per etmaal. Mannen en vrouwen werkten in de fabrieken in shifts, nooit stonden de machines stil. Toen begonnen de Japanners terug te krijgen van hun eigen baksel. 18 april 1942 bombardeerden de Amerikanen Tokio vanuit de lucht. 4 juni 1942 volgde de slag bij Midway, een eiland in de Stille Oceaan. Dat werd de eerste Japanse nederlaag. 7 augustus 1942 landden de Amerikanen op de Salomons eilanden, 1 maart 1943 werd een gedeelte van de Japanse vloot vermorzeld in de Bismarc Zee en 20 juni 1944 wonnen de Amerikanen een beslissende zeeslag in de Filipijnse zee, en zo gingen ook de Japanners langzaam maar zeker hun noodlot tegemoet.

Het valt te begrijpen, dat met zo’n geweldig wereldomvattend front, het uiterst moeilijk was voor de geallieerden om hun handen vrij te krijgen voor een invasie in Europa, die redelijke kans op slagen zou kunnen hebben. De grootste ramp voor de oorlogsvoering van de geallieerden veroorzaakten de Duitse U-boten, de onderzeeboten. Het aantal schepen die door hun gedurende de oorlog tot zinken is gebracht, gaat alle nachtmerries te boven. Hier enkele cijfers als voorbeeld: In het eerste halfjaar van 1941 verloren de geallieerden 2.840.000 ton, in het tweede halfjaar 1.350.000 ton. En zo ging dat maar door. Tot eindelijk een oplossing werd gevonden: de schepen werden begeleid door vliegtuigen die van radar voorzien waren waarmee de U-boten op tijd werden ontdekt, en onmiddellijk door speciaal geschut onschadelijk werden gemaakt.

Een ander obstakel was de sterke Duitse luchtmacht. Het nam heel wat jaren tot de verenigde inspanningen van de R.A.F. (de Engelse luchtmacht) en de U.S.A.F. (de Amerikaanse luchtmacht), de Duitse vliegtuigen terug drongen tot boven Duitsland en Oost Europa. Pas toen, dat was in het begin van 1944, hadden de geallieerden kans op een geslaagde invasie in West Europa, waar de bezetten volkeren zo naar snakten, en niet konden begrijpen waarom die invasie zolang uitbleef.

Hoofdstuk 5. Na de invasie

Op 6 juni 1944 was het dan zover. Meer dan 4000 schepen en 11.000 vliegtuigen werden ingeschakeld bij deze grandioze operatie. Vanaf vijf uur’ s ochtends werden de Duitse kust stellingen gebombardeerd, vanuit de lucht door de vliegtuigen, vanuit de zee door de kanonnen van de oorlogsboten, en ook de daar speciaal op geconstrueerde tanks, met waterdichte kanonnen, die al vanuit de landingsboten begonnen te vuren. Ondanks dit alles, ging het niet van een leien dakje. De Duitsers verzetten zich taai en vooral op de eerste dagen vielen er duizenden slachtoffers bij de geallieerden. Hoe moeizaam de strijd verliep kunnen wij afleiden van de data: pas op 23 augustus, dus zo’n 12 weken na de invasie, stonden de bevrijders in Parijs. Men kan zich voorstellen wat een ongelofelijke militaire macht de Duitsers hadden ontwikkeld voor en gedurende de oorlog, dat zij in het Westen zo’n tegenstand konden tonen, terwijl zij tegelijkertijd in het Oosten een front van drie duizend kilometer lang – de hele breedte van Rusland van Noord naar Zuid – tegen de Russen in stand hielden. (Alhoewel zij daar, zoals al gezegd, ook aan het verliezen waren, maar van Stalingrad tot Berlijn nam de Russen twee jaar en vijf maanden!) .

In september begonnen wij ook het oorlog voeren van dicht bij mee te maken. De geallieerden bevrijdden op 14 september Maastricht (In het zuiden van Nederland) en het front begon zich in onze richting te verschuiven. Toen kwamen wij in de gevechtslinie. Onder de perenboom werd een gat gegraven, daar gingen balken overheen, en daarop werden zandzakken gedeponeerd. Dat was onze schuilkelder. Er waren intussen ook evacués bij ons te gast. Niemand durfde de kelder uit om eten in het huis klaar te gaan maken. Het huis en de omgeving waren vol Duitse soldaten. Ik ging elke dag wel het huis in om eten klaar te maken. De Duitsers vroegen me wie ik was, en ik antwoordde” de zuster van de Baas”. We hadden allebei blauwe ogen. Een andere officier vroeg me wie ik liever had de Tornmies [sic] (Engelse soldaten) of de Duitse soldaten. Zonder na te denken zei ik:  “Als de Duitsers in Duitsland zouden zijn gebleven, zouden de Tornmies [sic] nu in Engeland zijn en onze Koningin zou in Holland zijn”. Daar had de soldaat geen woord op terug.

Een andere dag was ons eten gestolen van het vuur, een ijzeren hengselpot vol vlees. De volgende dag zag ik een soldaat lopen met mijn pot. Ik stormde woedend op hem af: “Geef me die pot!”. Maar hij deed zich Oost -Indisch doof. “Geef dat ding terug!”, maar hij dacht er niet aan. “Goed, kom dan maar mee naar de Ortskommandant”. Terwijl elders in Europa de zonen en dochters van mijn volk onder de wrede laarzen van de Moffen werden vernietigd, daagde ik deze soldaat voor zijn Ortskommandant…Wij gingen, ieder aan het hengel van de pot trekkend, naar de buren boerderij waar de Ortskommandant was ingetrokken. Ik vertelde hem het verhaal van mijn pot met vlees in het Duits. De Ortskommandant eerste reactie was: “Sinds wanneer spreken Hollandse meisjes zo goed Duits?” Als ik had gedacht aan de mogelijke consequenties van een diepgaand onderzoek van die Mof was ik misschien van angst met de tanden gaan klapperen, maar God zij dank, waren die gedachten ver van mij. Ik antwoordde: “Wij boerenmeisjes gaan op de middelbare school en leren talen – wat dacht U dat wij dom zijn?!” Bij de Duitsers was “dumme Holländer” een begrip. Ik gaf de soldaat een klap op zijn bovenarm en van schrik liet hij de pot los en ik er vandoor!

Lang bleven we niet in onze schuilplaats onder de grond, want we moesten evacueren naar Tienray. Alles werd ingepakt en alles wat waarde had was allang verborgen. Wij hadden daarvoor een speciale plaats, de plaats waar we schânse knupten. In een veen schuur ging ik, als ik tijd had, houthakken, de dunne takjes gebruikten we om het vuur aan te maken, en de dikkere takken werden gebruikt om het vuur aan te houden. Die takken werden aan elkaar gebonden met ijzerdraad, en lagen te drogen onder het dak van de schuur. Het hakken en binden noemde men schânse knuppen.

In die periode van september 1944 -november 1944 waren er veel incidenten met de Moffen -soldaten die bij ons en in de buurt ingekwartierd waren. Tegenover de Duitsers speelde ik altijd het achterlijke boerenmeisje die niets begreep (behalve dan in het bovengenoemde incidentje met de vleespot, waar mijn kennis van de Duitse taal zelfs een beetje gevaarlijk had kunnen blijken). Ik ging gekleed in de kleren die ik nog had van vroeger. Er was niets nieuws te koop, dus moesten we roeien met de riemen die we hadden. De kleren waren heus niet elegant meer, en op die leeftijd van 14 -16 groeien de jongelui het hardst. We droegen kousen van zwarte wol, die wol kwam van onze eigen schapen en hij was door ons zelf gesponnen.

Ze waren heerlijk warm, alleen een beetje grof. Ze waren prima voor onze klompen. (Schoenen hadden we helemaal niet meer). Als de voeten van die sokken versleten waren werden er nieuwe voeten aan gebreid en gezien de verf was uitverkocht liep ik met zwarte kousen en witte voeten. Van een oude jute zak werd een “baalschort” gemaakt. Mijn vertoning was niet al te flatteus, en als ik daarbij ook nog een dom gezicht zette, dan maakte ik precies de indruk die ik wilde maken. Ook mijn toneeltalent heeft me goed geholpen bij de hier volgende scènes.

Op een goede dag kwamen twee hoge Duitse officieren en vroegen om ons “Pferdengeschirr”, dat was paardentuig. De Moffen hadden namelijk vele paarden in beslag genomen en nu moesten ze tuig hebben. Ik hield ze heel vriendelijk aan de praat en beloofde te gaan kijken. Terwijl ik naar de stal liep, waarschuwde ik iedereen die ik tegen kwam, en zorgde er voor dat ook de buren gewaarschuwd zouden worden, dat iedereen zijn tuig zou verbergen. Toen liep ik terug naar de Duitsers en vertelde hun dat ik geen tuig kon vinden. Ze vonden mij maar dom en vertrokken.

Een andere keer kwamen een paar soldaten en vroegen om “Pferden”. Ik weer naar de stal, en weer waarschuwde ik onze mensen dat de paarden naar het bos moesten worden gebracht, omdat ze anders opgevorderd zouden worden. Om tijd te winnen bracht ik ze een grote mand met “Pfere” (peren). “Nee, dat niet”, was hun geprikkelde reactie. “Oh” zei ik, “nou begrijp ik jullie”. Ik liep weer naar de stal om een mand met een andere soort peren te brengen. Het geduld van de soldaten was op, en één van hen barstte uit: “Die dumme Holländer! Sie wissen nicht einmal was Pferden sind.” Ondertussen waren alle paarden in het bos, ook die van de stierhouderij, en stapte de zonen van het superieure Arische ras met legen handen weer op. Mijn toneelstuk was geslaagd.

Ook bij de volgende episode liet mijn beschermengel mij niet in de steek. Ik stond aan de pomp af te wassen, toen de Moffen kwamen om jongens te halen om loopgraven te graven, en meisjes om aardappels te schillen. Ze wilden mij ook mee nemen, maar ik weigerde: ik was immers verantwoordelijk voor “de Vrouw”, die in haar kraambed lag, en dus kon ik niet weg. Even later zag ik diezelfde soldaten terug komen met de bedoeling om alle andere buren aan het werk te zetten. Deze keer lieten ze ons met rust. (Op een schilderij van de boerderij, welke ik in 1989 maakte, staat het raampje naast de pomp er op, alhoewel dat een grove perspectivische fout is. Maar ik wilde dat raampje benadrukken, omdat door dat raampje ik altijd de Duitsers kon zien aankomen en mijzelf op eventuele vlucht voorbereiden).

Het volgende incident was misschien wel het gevaarlijkste voor mij .

We hadden een fiets met houten banden. Een keer per maand gingen we naar Castenray om de “bonnenwaar” af te halen. Olie, meel, boter, suiker etc. Tegen bonnen kon iedereen zijn rantsoen krijgen. Ik ging meestal met vriendinnetjes samen inkopen. Toen ik klaar was en de andere meisjes nog niet, ging onder een boom zitten niet ver van de kruidenier met twee volle tassen. In die tijd was er veel controle langs de weg, om hamsteren en zwarte handel tegen te gaan. Ik zat te wachten onder de boom toen er twee marechaussees aankwamen en mij om mijn persoonsbewijs vroegen. Ik zei ze dat ik pas 12 jaar oud ben en ik bleef zitten, dan leek ik kleiner. Met 15 of 16 jaar hoefde je pas een persoonsbewijs te hebben. Toen vroegen ze: “Wat heb je in die tassen?” Ik antwoordde: “bonnenwaar”. Ze waren nog niet tevreden; de volgende vraag luidde: “Je spreekt niet hetzelfde dialect als iedereen in deze buurt”. Waarop ik antwoordde: “Dat klopt, ik kom uit Arnhem, ik ben de oudste van negen kinderen en mijn tante heeft een baby gekregen en ik ben haar komen helpen in de huishouding na de geboorte. Mijn moeder heeft me gestuurd, want zoals jullie weten is er niet veel te eten in de stad.” Nog een vraag: “Wie is jouw tante?”, Zo plat mogelijk drukte ik haar naam uit: “de vrouw van Heldens Köb”. Eindelijk gingen ze weg. Intussen waren de meisjes aangekomen en samen gingen we terug naar het Schoor, waar de familie al op me wachtte. Ik vertelde het hele verhaal en “de Vrouw” zei: “We moeten Ria verder sturen, dit kan gevaarlijk worden!”. Maar “de Baas” reageerde hier op: “We hebben Ria genomen om op haar te passen tot na de oorlog. We wijzen haar een schuilplaats (dat was boven op de vliering, onder het dak, ongeveer boven de pomp) , en als er iemand komt gaat ze daar zitten en dan zal niemand haar kunnen vinden”.Er zijn gelukkig nooit marechaussees gekomen en tot het einde van de oorlog heb ik nooit van de schuilplaats gebruik hoeven te maken.

Ik had een paar vriendinnetjes, de “Duker’s mechjes”. (De meisjes Duijkers). Zij hadden een grote boerderij met broedkasten voor kuikens en heel veel kippen. ‘s Zondags na het melken, ging ik daar heen om ze te helpen eieren rapen. Met nog een paar helpende handen waren we vlugger klaar, en dan gingen we uit. We gingen bijvoorbeeld soms samen naar de kermis als die in onze omgeving werd opgezet. De meisjes gingen ook wel eens dansen, maar ik zei dat ik de jongens op hun tenen zou trappen en dus bleef ik langs de kant zitten. Ook was ik eens bij een echte boerenbruiloft. Oom Thei ging trouwen. Hun toekomstige woning was het kippenhok in de tuin van de Heidens. Er was een zeer ernstige woningsnood. Toch zag dat kippenhok er leuk uit. Voor die tijd waren er voor een heel korte termijn postduiven in dat hok. Ik heb nooit de reden ontdekt, maar de baas was erg boos op de eigenaar van de duiven, en dus moesten die duiven eruit. (Misschien was de reden dat men geen postduiven mocht houden van de Duitsers). Ik herinner me nog van die bruiloft dat er veel vlaai gegeten werd, natuurlijk werd er veel gedronken en er werden spelletjes gedaan. Voor mij was dat alles nieuw. Het feest ging door tot diep in de nacht, ook na dat het bruidspaar plotseling was vertrokken, hetgeen niemand stoorde.

Er waren zelden feesten in die dagen. Ik herinner me nog dat Wim de bakker verlooft was met een van de grotere Ducker’s mechjes, maar het was oorlog en er waren geen woningen, dus met het trouwen moesten ze wachten. Alhoewel wij in een soort paradijs leefden vergeleken met ons volk in het Oosten van Europa; die toen al jaren achtervolgd, gemarteld en vermoord werden door de op zo’n hoge cultuur staande beulen van Duitse, Poolse en Oekraïense afkomst (twintigste eeuw cultuur!), waren het ook voor ons geen makkelijke tijden. Overal werden boerenjongens meegesleept om in Duitsland te werken. De Duitsers waren allen in het leger. Toen der Führer in Berlijn zag dat de uiteindelijke overwinning van de oorlog zich steeds verder van hem verwijderde, begon hij allerlei gekke wanhoop maatregelen te nemen, zelfs jongens van 14 jaar werden opgeroepen om als soldaten te dienen. Dus voor andere werkzaamheden werden de volkeren van Europa als slavenarbeiders gebruikt. Ook oom Jeu, de broer van de vrouw, was één van hen die naar Duitsland werden gestuurd.

Wat mij betreft was mijn enige echte grote probleem: hoe moest ik mijn Godsdienst nakomen. Ik kwam uit een vroom Joods gezin en was gewend alle ge- en verboden te houden: het rituele eten, Sjabbat, feestdagen en vastendagen, etc. Natuurlijk had ik geen Joodse kalender en geen enkel Joods boek. Ik wist absoluut niet welke Joodse datum het was. Daar moest ik me bij neerleggen. Ik had de hele catechismus al geleerd, want ik moest alles weten. Ook deed ik mee aan alle gebeden thuis zoals de rozenkrans, ook om niet op te vallen. In het begin ging ik op Zondag trouw mee naar de kerk, maar ik zei altijd iedereen dat ik ‘s nachts eten en drinken moest omdat ik een ernstige maagkwaal had en kon dus nooit te commune gaan om de “hospis” te krijgen. Toen ik genoeg had van die kerkgang voor de schijn ben ik thuis gebleven. Als men vroeg waar was je van morgen in de kerk? Dan vroeg ik degene die de vraag stelde: “Waar was jij?” Als het antwoord luidde: ” Ik was in Castenray”, dan zei ik: “Ik was in Leunen”. Als ze dan vroeg hoe laat ik in de kerk was, vroeg ik haar weer dezelfde vraag, en zei ze dan ” om acht” , dan zei ik dat ik alom zes uur aanwezig was. Zo draaide ik me eruit. Ik probeerde “de Baas” altijd uit te leggen, dat ik gelovig was in God, maar dat Joden alleen maar geloven in één God, en niet in de door het Christendom genoemde heilige familie. Maar in Castenray geloofde men niet dat ik echt Joods was. Ze kenden daar namelijk maar een Jood: de veekoopman. Die had zwart haar, een kromme neus, veel geld en een stok. Ik bezat geen van deze eigenschappen, dus hoe kon ik Joods zijn?

Een zaterdagmiddag toen de Baas ging biechten, en ik thuis bleef om het huis schoon te maken, en de klompen wit te maken met Vim of ander zand, zei ik tegen hem: “Neem mijn zonden maar mee op een briefje en geef dat aan de pastoor”. Waarop “de Baas” zei: “Ria, gij komt niet in de hemel!” Ik reageerde: ” Adolf Hitler gaat zich misschien bekeren en komt dan in de hemel, dan ga ik liever naar de hel waar mijn geloofsgenoten zitten”. Dit was de enige keer dat wij over godsdienst gesproken hebben. Ik was nog erg jong, maar oud genoeg om mijn eigen weg te gaan. Hoewel ik mijn geloof niet openbaar kon naleven, zei ik ‘ s avonds mijn gebeden die ik uit mijn hoofd kende en droomde vaak dat ik weer thuis was en met mijn ouders naar de synagoge ging op zaterdag. Maar dromen zijn bedrog! Bijna twee jaar was ik afgesloten van de Joodse gemeenschap, hoewel ik het later weer heb ingehaald. Nooit hebben “de Baas” of “de Vrouw” mij willen bekeren. Het is echter wel mogelijk dat het ze oprecht speet dat ik anders gelovig was. En het spijt mij als dat inderdaad zo is geweest, dat zij door mij pijn voelden in die tijd.

Later, toen ik weer thuis woonde, hebben ze leren begrijpen dat Joods zijn een fenomenale geestelijke rijkdom inhoudt, immers de andere monotheïstisch Godsdiensten zijn voortgekomen uit het Jodendom. Toen ik later terugkwam op bezoek bij hun, en niet meer met hun mee kon eten, omdat het eten niet kosjer (ritueel geoorloofd) was, konden zij dat waarderen. Weer wat later, toen ik in Israël woonde, kreeg ik vaak pakjes toegestuurd. Daar waren altijd levensmiddelen in die ik mocht eten. Zoals cacao, bittere chocolade etc. In de jaren 1951-1955 was er bijna niets te koop in Israël, en elk pakje was een feest.

In september werden we geëvacueerd naar Tienray waar we met de hele familie op de grond sliepen in de koeienstal. Daar waren we veilig voor de bommen. Buiten de stal waren betonnen muren. Een keer werden we ‘s nachts wakker, door een warme douche. Eén van de koeien was een beetje te veel naar achteren gaan staan. Alles werd met humor opgelost! We hebben onze strozakken (zogenaamde matrassen) maar een beetje in veiligheid gebracht. Die koe konden we toch niet opvoeden. Buiten onze relatief veilige schuilplaats, raasde het oorlogsgeweld. De Duitsers verdedigde zich op vele plaatsen hardnekkig. Maar de Canadese en Engelse tanks maakten onweerstaanbare vooruitgang. Soms was het kanonnengeweld zo hevig, dat de dakpannen van de huizen vlogen. Dat gaf ons goede moed: nog even uit houden, en het moffen-monster is overwonnen.

Hoofdstuk 6. Bevrijd

En die dag kwam: Op 22 november 1944 trokken de Engelse tanks door ons dorp! Als op afspraak kwamen alle mensen die zich verborgen hadden moeten houden uit hun schuilplaatsen te voorschijn. Ik was vrij! Ik was weer Rachel Cohen en niet Ria Cornelissen. Ik liep naar de andere Joodse onderduikers en riep uit: “Eindelijk zijn we bevrijd!”. (Ik wist zelfs een paar namen, zoals De Groot, Van Gelder, etc.) Ze stonden me ongelovig aan te kijken toen ik zei dat ik ook ondergedoken was geweest. Ik leek sprekend op de andere meisjes uit de buurt, blond met blauwe ogen en ik had ook het plaatselijke dialect al leren spreken.

“De Baas” wilde graag weten of het huis er nog stond, dus ik bood aan om te gaan kijken. Onderweg, bij de “oude” Heldens boerderij was alles afgezet met draad waaraan witte lapjes hingen. Dat was een mijnenveld. Ik wist echter niet wat dat betekende en liep er dwars doorheen. Gelukkig trapte ik niet op een mijn, zoals de intelligente lezer wel gemerkt zal hebben. Ik had die dagen de gewoonte mijn privé engel overwerk te geven. Langs de weg lag het lijk van een Duitse soldaat. Daar schrok ik wel even van. Toen ik aankwam bij onze boerderij en de Engelse soldaten die daar waren ingetrokken vertelde over het lijk van die soldaat, was hun typisch Engelse reactie: “Never mind”. Later heeft geloof ik tante Mien gezorgd dat het lijk begraven werd aan de kant van de weg, tot ‘t weer opgegraven werd. Ik heb gekeken of alles nog onder de grond zat in de schansen schuur en ging weer terug naar Tienray. (Te voet natuurlijk) .

Maar het bleek dat de oorlog nog niet helemaal was afgelopen. Toen ik het winkeltje van de kruidenier naderde hoorde ik opeens een verdacht schril gefluit: een bom! Ik liet me ter plaatse in de greppel vallen, en toen de bom een fractie van een seconde later insloeg, was ik al in betrekkelijke veiligheid. Een stuk heet staal schoot langs mij heen en veroorzaakte een brandwond op mijn arm. Daar was ik dan bijna gegaan niet zo lang voor het einde van de oorlog en, inderdaad, ‘s avonds hoorde ik dat er enkele doden op die plaats waren gevallen. Ik had daar niets van gezien, omdat ik meteen verder ben gelopen naar Tienray. Thuis vond ik een stukje van die bom in de voering van mijn jas en een klein gaatje in de mouw waar het metaal doorheen gekomen was. Ik was blij weer veilig terug te zijn. Dit was de laatste bomaanval op Castenray.

We maakten voorbereidingen om weer terug te gaan naar het Schoor. Alles werd ingepakt en wij gingen op weg. We namen onze spullen mee en een groot gedeelte daarvan droeg onze Belgische knol, een “knol ” van een paard. Ik hield het paard aan de teugels. Tussen Castenray en het Schoor hoorde ik een zwaar brommend geluid achter me en draaide ik me om om te zien wat er aan kwam. Op dat moment draaide het paard zich ook en stond zodoende dwars over de straat en stopte met zijn enorme corpus een heel regiment van Engelse tanks. Tot één van de “Tornmies” [sic] (Engelse soldaten) van een tank afsprong, het paard bij de teugels nam en aan de kant zette, zodat de tanks weer verder konden oprukken naar het front.

Het eerste wat we deden toen we weer thuis kwamen was het opgraven van de waardevolle dingen die onder de schansen in de schuur begraven waren. Het leven begon weer op de boerderij. Veel herinner ik me niet van deze tijd. Na verloop van enige tijd hoorde ik dat men via het Rode Kruis inlichtingen kon inwinnen over “overgebleven” Joden. Dus nam ik contact op met Wim (Louis Mossel) en een andere ex-onderduiker, Manus Cohen (of de zoon van Manus, dat weet ik niet meer). Met z’n drieën gingen we op zoek naar familie. Wim heeft helaas geen familieleden kunnen opsporen. De jongens Cohen (geloof ik) hebben hun zuster gevonden. We gingen gedeeltelijk met vrachtauto’ s, legerauto’ s en te voet naar Eindhoven. Daar werden we aan een zekere Heer Stonfeld voorgesteld. Het was zijn taak te zorgen voor Joodse wezen en ondergedoken kinderen. Hij bracht ons onder bij een Joodse familie, familie Leiders, die net waren gearriveerd. Toen ik daar de kamer binnenkwam, stond een oude heer op en stelde zich voor als Philip Cohen uit Venlo. Ik stelde me voor als Rachel Cohen uit Arnhem, waarop hij vroeg: “De dochter van Sam Cohen?” Toen ik dat bevestigde zei hij: “Je ouders wonen in Neerbeek, Zuid Limburg. Je vader zocht jou en je broer Elie, maar omdat de slag in de Ardennen in volle heftigheid aan de gang was, moest hij weer terug naar Zuid Limburg.”

De slag in de Ardennen, de bergen in het zuiden van België, was het laatste felle tegenoffensief van Hitler tegen de geallieerden. 16 december 1944 verrasten de Duitsers de geallieerden met een plotselinge hevige aanval, dwars door de zwaar besneeuwde bergen. Ze hadden speciale wit geverfde uniformen aan, om zich te camoufleren en van 19 tot 26 december waren de Amerikaanse troepen ingesloten en zag het er even hachelijk uit. Maar uiteindelijk braken de Amerikanen door, omdat het weer beter werd en de Amerikaanse vliegtuigen de Duitse linies bombardeerden tot zij -de Duitsers – weer terug moesten trekken.

Intussen vernam ik dat vader en moeder gered waren en dat mijn broer Piet (Izak) en zuster Betje al thuis waren. Mijn broer Elie was ondergedoken geweest in Helden Beringen, later in Meterik, waarvan hij evacueerde naar Horst, een paar kilometer van Tienray. Ik heb hem via het Rode kruis gevonden. Na al deze inlichtingen ben ik teruggegaan naar het Schoor. “De Vrouw” zei dat ik naar mijn ouders moest zien te komen. Maar ik wilde eerst de was doen en het huis poetsen voor ik weg ging. Ik zei: “Mijn ouders weten niet waar ik ben dus hindert het niet wanneer ik terug ga. Dus deed ik eerst de was en het huis. Ik verlangde natuurlijk naar mijn ouders, maar wilde het niet voordoen alsof ik van mijn redders wegliep. Daarna ging ik mijn broer zoeken. Elie was reuze verrast mij te zien, maar hij wilde niet terug naar huis, want hij zou de commune doen in de kerk binnen zes weken en zou katholiek worden. Ik probeerde hem uit te leggen dat hij dat niet hoefde te doen, omdat hij Joods was. Maar hij antwoordde me dat als hij niet katholiek zou worden hij “z’n hele leven” in de hel zou moeten branden. Al mij argumenten hielpen niet. Hij ging niet mee! Voor ik weg ging van “de Baas” en “de Vrouw” nam ik natuurlijk afscheid. Het was mijn “tehuis” geworden en ik hield erg veel van hen. Mijn tehuis was heel liefdevol, nooit hoorde ik een hard woord. De ouders leefden zo mooi samen. Zo eenvoudig en zo tevreden met weinig. Ze waren arm als de straatstenen in de oorlog, maar ik heb ze nooit horen klagen. Alhoewel ik me met mijn werk en hulp in de boerderij en huishouding nuttig heb kunnen maken, weet ik, en dat wist ik toen ook, dat ik nooit terug kan betalen wat deze goede mensen voor mij gedaan hebben. Ik ben er vast van overtuigd dat God hun beloond op een voor ons mensen onvoorstelbare manier in het leven na de dood, wat wij Joden “Olam Haba” noemen. Na de oorlog ben ik nog vaak op bezoek gegaan bij deze familie, omdat ik me daar echt thuis was gaan voelen.

Omdat mijn broer niet met me mee wilde, zoals ik heb verteld, moest ik alleen naar Neerbeek reizen. Dat was niet makkelijk. Er waren geen publieke vervoersmogelijkheden, geen treinen of bussen naar het zuiden. Ik moest mee liften met vrachtauto’s en militaire vehikels. Een aangename verassing voor mij was een lift met een auto van de Joodse brigade. Dat waren Joodse soldaten uit Palestina van toen. Zij maakten deel uit van het Engelse leger, velen onder hen snakten er naar om de Joodse concentratiekampen te bevrijden.

Ik klom in de auto en was blij om het symbool van het Joodse leger te zien: de Davidster op de blauw -witte vlag. Ik begroette de inzittenden met de Joodse internationale groet: Shalom Aleichem. Toen zei een van die soldaten: weer een Hollands meisje die de groet Shalom Aleichem gebruikt! Ze wilden niet geloven dat ik Joods was. In Eindhoven nam een vrachtautochauffeur me mee naar Maastricht, waar hij via België ‘s avonds aankwam. Het was al na acht uur en het was verboden om’ s avonds te reizen.

Het was immers nog oorlog. Het zuiden van Nederland was bevrijd, zo ook België en Frankrijk, maar het westen van het land was nog bezet en de bevolking in die bezette gebieden ondergingen een vreselijke winter: geen voedsel, geen brandstoffen voor de verwarming van de huizen, en meedogenloze terreur van de Duitse bezetter, die ondanks het feit dat zijn einde nabij kwam, geen gelegenheid liet overslaan om zijn beestachtige wreedheid te tonen. Vele verzetsmensen hebben juist door die laatste maanden van de “hongerwinter” het einde van de oorlog niet gehaald. Dus ik kon niet verder reizen na acht uur. Maar daar wist de vrachtautochauffeur met zijn Limburgse gastvrijheid wel een oplossing voor. Ik ging met hem mee naar huis en kreeg van zijn vrouw een logeerkamer. De volgende morgen vond hij weer een vrachtwagen die me naar Neerbeek bracht, waar mijn ouders woonden.

Hoofdstuk 7.  Terug naar huis

Ik had bijna geen kleren meer. Ik was overal uitgegroeid en er was niets te koop, dus veel bagage had ik niet. Toen ik uit de auto klom, zag mijn vader me vanuit het raam en riep mijn moeder, die bezig was de was op te hangen. “Kom eens kijken wie hier is!” Mijn moeder dacht, wat kan dat nou zijn, in dit saaie dorp is toch nooit wat te beleven. Vader riep nog eens, en moeder kwam. Zij kon haar ogen niet geloven. Daar stond ik in mijn te nauwe, versleten kleren, blozend van welvaren. Een echte boerenmeid. Natuurlijk waren wij overgelukkig om elkaar weer te zien. Na de eerste ontroering en gesprekken in een atmosfeer van diepe dank aan God, Die ons weer samen had gebracht, na al die jaren, vertelde ik mijn ouders over mijn broer Elie, die niet weg wilde uit Horst. (Ik sprak in plat Limburgs dialect, daar was ik door de oorlog al helemaal aan gewend geraakt, dat was wel even vreemd voor mijn ouders). Vader is meteen naar Horst gereisd om Elie op te halen. Hij vond het wel jammer nu hij bijna katholiek was, om weg te gaan van zijn pleegouders, maar besloot toch maar met vader mee te gaan naar Neerbeek. Binnen enkele weken was hij weer aan het Joodse leven gewend.

Intussen werd zowel aan het Oost front als aan het West front hard gevochten. De Russen bereikten in het Oosten in januari het concentratie kamp Auschwitz in Polen, waar een klein percentage van de gevangenen nog gered kon worden van een van de vele wrede gruweldoden, die het Duitse monster voor zijn medemens had uitgedacht en waar miljoenen aan ten gronde gingen. In het Westen zetten de geallieerden op 8 februari 1945 een formidabel offensief in teneinde via het Roer gebied Duitsland in te dringen. Duizenden kanonnen opende het vuur, een Nijmegenaar, die door De Jong (een Nederlandse geschiedschrijver) wordt geciteerd, schreef in zijn dagboek: “Pannen ritsten van de daken, noodruiten vlogen rinkelend uit de sponningen, plafonds kletterden naar beneden, deuren werden ontzet, maar de gezichten van de mensen straalden, want nu ging het naar het einde”.

Op 6 maart 1945 bezetten de Amerikanen Keulen en op 25 april sloten de Russen hun ijzeren ring om Berlijn. Maar Berlijn viel niet zonder slag of stoot. Er stonden daar nog een miljoen soldaten om de Führer te “verdedigen”! De Russische overmacht echter, was enorm: twee en een half miljoen soldaten, meer dan 40.000 kanonnen en mortieren, meer dan 6000 tanks en bijna 8000 vliegtuigen, konden de Russen tegenover de Duitse verdediging stellen. En in de Hemel werd besloten dat dat het einde van het Duizendjarige Rijk zou zijn. Op 30 april pleegde de Führer zelfmoord, na er in gefaald te zijn een wereldrijk te stichten, de volkeren te onderdrukken en zoals zo velen voor hem, het Joodse volk uit te roeien. (Alhoewel de wereld in het algemeen en het Joodse volk in het bijzonder wel heel wat van hem te lijden hebben gehad; 55 miljoen mensenlevens heeft deze oorlog gekost!).

Met de capitulatie van Duitsland en bondgenoten in het Westen was daar eindelijk vrede en konden de volkeren beginnen te trachten hun verwoeste steden en landen weer op te bouwen, maar de Japanner had er nog niet genoeg van! Alhoewel het duidelijk was dat hij het niet vol zou kunnen houden tegen de Amerikaanse overmacht, ging hij over op een wanhoopsoorlogsvoering: zelfmoord. Japanse piloten lieten zich met vliegtuig en al op de Amerikaanse schepen vallen, om zoveel mogelijk Amerikanen mee te nemen naar het interessante Japanse soldatenparadijs.

Maar ook hier was in de hemel al jaren geleden een andere beslissing over genomen. Op 2 augustus 1939 schreef de (Joodse) natuurgeleerde Albert Einstein, die het oorlogsgeweld in Europa aan zag komen en wist dat de Duitsers mogelijk een atoombom zouden kunnen ontwikkelen, aan President Roosevelt dat de atoombom technisch vervaardigd kon worden in Amerika en dat het dringend was om deze te ontwikkelen. Dat was het begin van het “Manhattan Project”. Gedurende de oorlog werd hard gewerkt aan de ontwikkeling van dit wapen en tegen het einde van de oorlog waren de eerste bommen klaar. De Amerikanen waarschuwden de Japanners, dat als zij zo’n zin hebben in het Hiernamaals, dan kan dat per bestelling voor heel wat mensen tegelijk verzorgd worden. De Japanners bleken niet onder de indruk, wat de eerste atoombom aanval van de Amerikanen ten gevolge had: 6 augustus 1945 werd Hirosjima gebombardeerd, de stad werd bijna volledig van de kaart gewist. De Japanners waren nog niet overtuigd, dus 8 augustus volgde een tweede bombardement op Nagasaki, daar waren de gevolgen ook catastrofaal. Toen capituleerde Japan en was er vrede ook in dit gedeelte van de Wereld. (In het algemeen, maar voor Nederland begon toen een oorlog met Indonesië, een Nederlandse kolonie, die zijn onafhankelijkheid door oorlog van Nederland afdwong).

In mei was heel Nederland bevrijd en kwam onze familie weer bij elkaar. Jaap, mijn oudste broer, kwam uit Friesland in het Noorden van het land en Esther kwam uit Oosterbeek. Zij waren beiden bij protestante families ondergedoken. Toen begonnen de theologische discussies: wie er nou precies geloofde in de protestante principes en wie er geloofde in de katholieke geloofsovertuiging. Totdat onze ouders er een eind aan maakten en zeiden: “Jullie mogen nu weer Joods zijn!” We moesten ook aan onze namen wennen. Jacques werd weer Jaap, Ria weer Rachel, Eddie – Elie, Beppie – Betje, Elly – Esther, en Piet werd weer Izak. (Maar zijn roepnaam bleef Piet). Cornelissen was onze afgesproken familienaam, in plaats van Cohen. Het voorrecht van onze familie, om na de oorlog weer volledig bij elkaar te mogen zijn, was iets heel bijzonders. De meeste Nederlandse Joodse families waren volledig of gedeeltelijk vermoord. Van de ruim 140.000 Joden in Nederland voor de tweede wereld oorlog waren er nauwelijks 20.000 overgebleven.

Terug thuis moest ik eigenlijk weer naar school. Ik was zestien en had ruim twee jaren verloren. Wat nu? De enige school in de buurt van Neerbeek was in Geleen, een katholieke jongens H.B.S. Daar kon ik niet heen. Dus ging ik stenografie, typen en Engels leren. Tegelijkertijd werkte ik bij vader in de textiel groothandel die hij weer begon op te bouwen. Intussen kregen we contact met de Joodse jeugd in Amsterdam. Eind 1946 kwam er bij ons in Maastricht een vrachtauto met zo’n 20 jongelui van de P.A.J. om Joodse jongelui weer in contact te brengen met de Joodse gemeenschap waarvan het centrum in Amsterdam was. De leiding van deze expeditie was onder andere meneer De Haas. Hij kwam de jeugd de boodschap overbrengen om weer opnieuw het traditionele Jodendom en het Joodse volk op te bouwen en wel zo gauw mogelijk na deze Holocaust. Ik vroeg mijn vader permissie om naar Amsterdam te gaan. Waarin hij toestemde, ook omdat ik geen mogelijkheden had om Joodse vrienden te vinden in Limburg. Alhoewel het hem erg speet me niet thuis te kunnen houden na de onderduik.

In 1946 ging ik naar Amsterdam, waar ik werk kreeg als jongste bediende op kantoor bij Weinstocks regenkleding fabriek op de Stadhouderskade in Amsterdam. Ik werkte daar de hele week, maar zaterdags en zondags hield ik me met de jeugdbeweging bezig. Ik woonde bij een verre familie van mijn moeder, Liesbeth en George Prins in huis. Na een jaar werk met de jeugd, werd me voorgesteld om als jeugdleidster intern te komen werken in een jeugdtehuis. Dit werk lokte me aan en ik ben toen een paar jaar in het P.A.J. (Poalé Agudat Jisraël) huis, zoal dat heette, werkzaam geweest. Het was een tehuis voor kinderen en jongelui die, zoals ik, uit de provincie kwamen, en in een Joodse omgeving wilden zijn. We hielden vele leuke bijeenkomsten. Wij leerden Joodse onderwerpen en Iwrith (de Hebreeuwse taal). We hadden een uitgebreide bibliotheek. In de zomer hielden wij zomerkampen. En in het algemeen was er veel te doen voor de jongelui. In de jaren 1947-1948 gingen vele jonge lui op Aliah (immigratie) naar Palestina, om te helpen bij het oprichten van de Staat en bij het opbouwen van een leger. Ik meldde me ook voor het leger, maar vader gaf geen toestemming. Ik wilde zo graag officier worden (niet gewoon soldaat). Vader kwam van Zuid-Limburg naar Amsterdam om met mij over dit onderwerp te spreken. Hij zei dat vijf jaar oorlog genoeg was geweest voor mij en ik mocht alleen met mijn Hollandse paspoort officieel naar Israël gaan. Intussen waren de directrice, de kookster en een groep kinderen illegaal op Aliyah naar Israël en ik werd waarnemend directrice op negentienjarige leeftijd. In de zomer van 1948 waren we in internationaal zomerkamp, daar trof ik meisjes uit Londen. Zij stelden mij voor om in het Londense Beth Jacob Seminar (een orthodoxe leraressen opleidingsschool voor meisjes) te komen leren. Dat heb ik gedaan.

Door de oorlog had ik veel Joodse lessen verzuimd. Dat haalde ik in Londen in. Ik was au pair bij verschillende families en leerde overdag heel vlijtig om lerares te worden aan de Joodse scholen. In Londen gaf ik al lessen aan kleine kinderen van zes en zeven jaar oud. Ik leerde hen lezen en schrijven in het Hebreeuws en vertelde Bijbel geschiedenis. Daarmee verdiende ik mijn zakgeld. Tegen juni 1948 hoorde ik dat er een groep jeugdleiders naar Israël zou gaan om te leren en daarna in Europa te werken voor de Jeugd-Aliyah. Ik meldde me en kreeg een plaats in de groep, maar ik had geen geld, ik was maar een arme studente. Ik ging toen als kok in een zomerkamp in Southboume werken. In september dat jaar begon ik mijn reis: van Londen naar Maastricht (waar mijn ouders woonden) via België naar Frankrijk en van Marseille met de boot naar Israël.

Hoofdstuk 8. Israël

We sliepen in hangmatten in het vrachtruim. De mensen op de boot kwamen uit Tripoli, Spanje en Frankrijk. Voor ons was alles nieuw. We hadden een groep jeugdleiders uit Engeland, Zwitserland en Holland. We amuseerden ons best. Toen we de eerste lichten van Haifa zagen, bleven we de hele nacht op het dek om niets te missen. We waren allen onder de indruk en opgewonden van onze vijfdaagse zeereis op de Middellandse Zee. Vanuit Haifa gingen we naar het adres waar we drie maanden zouden leren en werken: de kibboets Hafets Haim bij Gedera. Aangekomen in de Kibboets (collectieve nederzetting) kregen we tenten met 3 bedden en een tafel. We hoorden’ s nachts de jakhalzen huilen niet ver van ons. Dat was wel een beetje griezelig, maar het hoorde erbij. “Waar willen jullie werken?” werd ons gevraagd. Waarop ik prompt antwoordde: “bij de koeien of de kippen”. Maar we werden ingedeeld in de groenteteelt en in het keukenwerk, want kippen en koeien waren “mannen werk”. Halve dagen werkten we en halve dagen leerden we: godsdienstige vakken zoals Tora, geschiedenis van het Joodse volk en de nederzetting in Israël. En dan natuurlijk Iwrit, Hebreeuwse lessen, want we werden opgeleid om onderwijs te geven in het Buitenland en de jongelui te interesseren om als pioniers naar Israël te gaan. In Europa wilde iedereen weg van Europa, maar wisten niet waarheen: Canada, Australië, Amerika, dus kwamen wij voor velen met een aantrekkelijk alternatief: Israël. Men liet ons het land zien, opdat we zouden kunnen vertellen over het land, en dat we zouden weten waar we over spraken.

We bezochten Jeruzalem, Beer Sheva, Tiberias, de Galil, Haifa, Tel Aviv etc. Wij waren enorm onder de indruk en toen we eind december 1949 weer terug reisden met de boot, waren we enthousiast en vol goede wil om alles over te brengen aan onze toekomstige leerlingen. Na een bootreis van vijf dagen en een treinreis van een halve dag, kwamen we in Parijs aan en verbleven we daar het hele weekend. Zondag daarna ging de reis door naar Holland. Eerst ging ik mijn ouders opzoeken en vertelde hun al mijn ervaringen, en toen door naar Amsterdam waar het werk op mij wachtte.

Ik werd tweede secretaresse op het onderwijsbureau van de Joodse Gemeente en in mijn vrije tijd leidde ik jonge jeugdleiders op en gaf lessen in alle mogelijke kleine gemeenschappen waar kinderen waren die wij op die manier in contact brachten met de “grote” gemeenschap in Amsterdam. We organiseerden Weekends, vakantie leerweken en zomerkampen. Zo kwamen die Joodse kinderen en jongeren weer langzaam bij elkaar. Het gaf ons heel veel voldoening weer iets op te bouwen wat zo verwoest was. Vele kinderen hadden problemen omdat ze hun ouders en hele familie verloren hadden. Weer anderen hadden moeilijkheden om weer thuis te wennen, nadat ze jaren bij pleegouders waren opgegroeid. Er waren ook kinderen die waren opgevangen na de oorlog in kinderhuizen of pleeggezinnen. Zulke zomerkampen, clubjes op Shabbath en Zondag (met zingen, leren, spelen en voetballen) vonden ze heerlijk. Een jeugdleider (ster) was voor zulke kinderen een houvast. Vele van deze kinderen zijn vroeger of later naar Israël geëmigreerd en er bleef altijd een band tussen de immigranten van toen.

Nadat ik vijf maanden hard aan mijn doel gewerkt had, wou ik beginnen nu mijzelf voor te bereiden voor de Aliyah, want alles ging in die dagen langzaam. Ik had me verplicht een jaar te werken voor de Jewish Agency. Vol goede moed ging ik naar het bureau van “Hachshara” en “Aliyah” (Immigratie en voorbereiding voor Israël). Een Hachshara was een school, of beter gezegd een tehuis, waar jongelui werden opgeleid om naar Israël te gaan. Ze leerden de taal, de geschiedenis en Joodse vakken. Men werkte ook bij verschillende boeren als knecht om landbouw en veeteelt te leren. Mijn broer Elie en zuster Batyah waren ook op de Hachshara en gingen als een groep op Aliyah, allen naar dezelfde Kibboets.

Ik kwam binnen en zei: “Ik zou graag mijn aanvraag indienen om op Aliyah te gaan”. Waarop ik te horen kreeg: “Het spijt me, maar je moet eerst opgeleid worden voor de immigratie”. Ik werd wat ongeduldig en reageerde: “Willen jullie dat ik directrice word van deze groep? Ik ken al het werk op het veld, in de stallen en in het kippenhok. Ik heb bij de boeren gewerkt, heb Hebreeuws geleerd, spreek de taal en geef er les in. Ik ben lerares in Hebreeuwse vakken. Ik heb een kindertehuis geleid als plaatsvervangend directrice, kan koken en bakken, dus wat heb in de Hachshara te zoeken.  Bovendien was ik al drie maanden in Israël en weet dat ik daar pas. Het antwoord was: “Het spijt ons, zo is het ons voorgeschreven en dat zijn de voorwaarden van de immigratie”. Dezelfde avond stuurde ik een telegram naar Parijs, waar onze afgezant (nu mijn zwager) van de emigratie uit Israël woonde en vroeg hem hoe ik naar Israël kon reizen zonder de “service” van het bureau in Holland te gebruiken. Hij verzocht mij direct naar Frankrijk te komen, omdat ze daar om leidsters verlegen zaten. Hij kende mij nog uit Nederland, waar hij in ons tehuis gewerkt had. Dus, ik ging mijn baan opzeggen in juli 1950 en in augustus dat jaar was ik op weg naar Parijs.

Hoofdstuk 9. Parijs

Onze afgezant haalde me af in Parijs en hij bracht me naar Henonville, een gehucht niet ver van Parijs. Het kindertehuis was gehuisvest in een oud kasteel met brede trappen. Toen ik de trap opging, liep een jonge jeugdleider de trap af. Hij begroette degene die mij mee de trap op liep en ook mij met de traditionele Joodse groet: “Shalom Aleichem”. Ik antwoordde: ” Aleichem Shalom” en in mijn hart dacht ik: “Dat is de ware Jozef”. Twee jaar later, op de dag af, verloofden we ons!

Er woonden 150 Marokkaanse, Tunesische en Algerijnse kinderen in het tehuis. Zij zouden in een tijdbestek van zo’n negen maanden immigreren. We werkten heel hard, de kinderen kwamen uit een ander milieu dan wij kenden en hadden veel opvoedingsproblemen. Er waren problemen met de taal en met het eten. Wij gaven les in Iwriet, maar de kinderen spraken Frans, dus moesten wij ook Frans spreken. Wij kookten Europees, maar de kinderen waren gewend aan heel scherp, Noord-Afrikaans eten. Een gedeelte van de kinderen waren bijna nooit op school geweest, dus moesten beginnen met de beginselen van lezen, schrijven en rekenen. Aan de andere kant hadden we heel intelligente kinderen, die al op de middelbare school waren. Al deze problemen werden besproken met de andere leiders, die dezelfde leeftijdsgroep hadden. Ik had de meisjes van 11-14 jaar, en Akiba (die jonge jeugdleider van de trap) had de jongens van dezelfde leeftijd. Zo hadden we veel te spreken over “onze” jongens en “onze” meisjes. Na negen maanden gingen wij op reis naar Israël. We deden de reis van Parijs naar Marseilles met autobussen. Van Marseille moesten we met de boot vertrekken. Wij kregen nog een groep onder onze hoede, kinderen uit Egypte. Zo waren wij met meer dan 150 kinderen. Onderweg naar de boot troffen we een grote groep Hollanders op de kade.

Onder hen bevond zich de directrice van het Hollandse bureau voor immigratie mevrouw Mendes-Dacosta. Dat was de dame die me geen permissie had gegeven te immigreren! Ze zag me en vroeg me: “Waar ga jij heen?” Ik antwoordde: “Naar Israël, als jeugdleidster van de Jewish Agency en ik heb hier meer dan 150 kinderen bij me”. Ze wenste me veel succes! De bootreis verliep niet zo makkelijk; de kinderen en hun leider(sters) waren allemaal ziek.

Behalve mij, als enige in de eetzaal, at ik met de crew. Toen we na vijf dagen in Haifa arriveerden was het prachtig weer. Akiba en ik stapten samen van de boot, dus onze persoonsbewijzen werden 63 en 64 op het eind, alhoewel we nog niet getrouwd waren. We hadden beiden hetzelfde adres opgegeven: Kibboets Chafets Chayim, want beiden hadden we geen adres in Israël.

De hele groep ging aan wal en een madriech (leider, gids) bracht ons naar een jeugdkamp van de Jewish Agency in Achuzah, een wijk in Haifa. Daar werden wij tijdelijk opgevangen om daarna verder te gaan, ieder naar zijn bestemming. De kinderen gingen naar verschillende kindertehuizen en ik kreeg een baan in een kindertehuis in Nachalat Yehoeda, een dorp naast Rishon Lezion, niet ver van Tel Aviv. In dat tehuis waren Poolse kinderen die uit kampen uit Oost-Europa kwamen. Weer heel ander werk. Die kinderen wilden alles vergeten en opnieuw beginnen. Bijna allemaal waren zij wezen of half wezen. Het was een moeilijke periode voor mij: ik was afgesloten van de stad en had geen gezelschap buiten mijn werk. Dus besloot ik om naar Jeruzalem te gaan om daar mijn geluk te beproeven.

Zonder geld kon ik alleen in een pioniershuis terecht voor twee en een halve lirot per maand. Ik werkte als jeugdleidster van ‘s morgens zes tot acht, dan ging ik naar een school om mijn Iwrith kennis te verbeteren (een Oeipan). Daar kwam ik in de hoogste klas terecht met vele Rabbijnen uit Amerika en anderen die al jaren lang gestudeerd hadden. Na vijf maanden haalde ik mijn diploma. ‘s Avonds werkte ik van vijf tot negen met de kinderen en later deed ik mijn huiswerk. Toen ik klaar was met mijn studie had ik ook genoeg van de jeugdleiding en begon ik ander werk te zoeken. Ik kwam terecht met behulp van vrienden in een bureau waar clichés werden gemaakt. Ik moest een kaartsysteem bij houden met vaktermen waar ik nog nooit van gehoord had. Maar ik moest wel werken anders had ik niet te eten.

Later hoorde ik dat er een werkplaats vacant was geworden bij een boekenzaak waar een bibliotheek was voor kinderen. Ik solliciteerde voor bibliothecaresse. Door de oorlog was ik niet in staat geweest veel te lezen en toen mijn aanstaande baas vroeg of ik uit het schrift met 2500 boekennamen een gedeelte kende, zei ik: “Inderdaad, alleen maar een gedeelte”. Waarop hij antwoordde dat dat niet zo erg was, ik zou de boeken kunnen lezen, en dan kwam ik er wel in. Later heb ik hem bekend, dat ik maar vijf boeken kende; bijvoorbeeld “Het lelijke eendje”, “Roodkapje”, “Sneeuwwitje”, “Alleen op de wereld ” en dergelijke. Toch heb ik slechts één of twee klachten gehad dat het boek niet geschikt was voor het kind. (Meer geluk dan verstand!). In deze periode verloofde ik me met Akiba. Op een goede dag kwam zijn broer Jozef met een uitnodiging om in de Kibboets te komen over Sabbat. Akiba was aangenomen als lid van een kibboets die Netiewah heette. Een heel nieuwe nederzetting met jongelui tussen de 17-25 uit West Europa, hoofdzakelijk België, Duitsland, Holland, Zwitserland en Frankrijk. Allemaal of uit de kampen, of uit de onderduik. De meesten waren zonder ouders. Maar allen hadden ze veel goede moed om opnieuw te beginnen en het land op te bouwen. Ik ging over het weekend naar Netiewah, waar ook mijn broer Piet woonde en in de jeugdgroep leerde.

Hoofdstuk 10. Na het huwelijk

Ik trof Akiba daar en praatte met hem over alles en nog wat en’ s avonds hebben we ons verloofd. We kenden elkaar al lang genoeg! Dat was in september 1952, in december 1952 zijn we getrouwd. We kregen een driedeurs kast van de kibboets, hadden zes stoelen en een tafel en voelden ons de koning te rijk. Ik had nog van thuis borden met een gouden rand en in de kibboets dachten ze dat wij miljonairs waren. We kregen onze “woning” toegewezen; 1 kamer in een houten huis van vier kamers. Water was buiten de deur, tien meter verwijderd, op het veld. Elektriciteit hadden we af en toe. Meestal verlichtten wij het huis met petroleum lampen. Zelfs de wc was op het veld, zo’n twintig meter ver. Een blikken hokje, een gat in de grond, wat planken; dat was een echt “huuske”. Maar wij waren tevreden.

Onze bruiloft werd gehouden in de lege voorraadschuur. Er werden lampen opgehangen, planken op stenen gelegd, die als tafels en banken dienden. De koek was van brooddeeg met cacao vulling. Alles was heel eenvoudig, maar de stemming was geweldig, vooral omdat Akiba het oudste lid was van de kibboets.

Akiba werkte op het veld en in de boomgaard en ik was verantwoordelijk voor de keuken en het arbeidsplan: iedereen kreeg zijn taak toegewezen en iemand moest die indeling maken. Eten was er niet veel in die tijd. Brood, macaroni, mayonaise, witte kaas en radijsjes en visfilet, en een half ei per dag. Maar niemand klaagde! Alles was goed. Eind 1953 werd onze eerste zoon geboren in Jeruzalem. Toen hij zes weken oud was, zijn wij verhuisd naar een nieuw dorp, Beth Chilkia, vlak bij onze kibboets, die het niet meer vol kon houden. Er waren niet genoeg mensen en er was geen geld. Zo ging onze kibboets uit elkaar; ieder zijn nieuwe bestemming tegemoet. Wij begonnen een kleine boerderij. Wij hadden tien kippen, een geit en een veld met veel onkruid. Kennissen gaven ons een som geld om kalkoenen te kopen; drie vrouwtjes en een mannetje. Mijn neef Abraham Poplavsky, de man van mijn nicht Roosje Cohen, bouwde ons een hok voor deze vier. Ze gingen al gauw broeden op hun eieren. Ons huis bestond uit drie ineen lopende kamers. De eerste diende als keuken, zonder water of elektriciteit. Alleen maar vier muren, van daaruit, zonder tussendeuren kwam je in de huis- en slaapkamer.

Toch waren we erop vooruitgegaan: een stenen huis in plaats van een houten huis. De luiers werden buiten aan de waterleiding op het veld gewassen met de hand. Als we werk hadden op het veld, zoals komkommers plukken of tomaten of uien uitdunnen, dan ging onze Meir mee het veld op, in een aardappelkist gevuld met stro, een luier op het stro en de baby erboven op. We werkten dan in de late namiddag, anders was de zon te heet. Gas om te koken was er niet. We hadden een petroleumstel. ‘s Morgens vroeg werd het eten opgezet en ‘s middags was ik klaar met koken. Intussen waren de kalkoenen aan het broeden op de eieren, hun broedkamer was mijn keuken. Daar had ik een kist met drie vakken, alle drie zaten ze op hun eieren. Toen de kuikentjes uitkwamen werden ze in een wasteiltje met zaagmeel gezet. Het wasteiltje stond op een driepotig krukje zonder zitvlak. Midden daaronder stond een petroleumlamp om het teiltje warm te houden.

Toen ze wat ouder waren, maakte ik een hoekje met een klein schuttinkje van een halve meter hoog. Hun voedsel was witte kaas met groen van uitjes fijn gesneden. Eens werden we’ s morgens vroeg wakker omdat onze vijf maanden oude Meir op zijn buik lag te kirren. Wat was er gebeurd? De kuikentjes hadden vleugels gekregen en vlogen over het schotje en liepen onze slaapkamer binnen. Zoals al verteld, hadden we immers geen deuren tussen de kamers en onze kuikentjes waren daar zeer tevreden mee. De kalkoenen groeiden als kool en gingen over in een groot hok, gebouwd door mijn neef Abraham. Intussen fokten we eenden en ganzen, die de kalkoenen uitbroedden. Dezelfde kalkoenen bleven broeden tot driemaal toe in de keuken.

Later hebben we een waterleiding aangelegd in de keuken en weer later zelfs een douche! Met dat al, waren we in die tijd heel arm. We kochten een halve liter melk per dag en een kip in de week. Soms was er zelfs geen geld om brood te kopen. Gelukkig hadden onze eigen eieren en melk van ons geitje, waar ik niet van hield. Ook groenten hadden we van ons stukje land, zelfs paprika. Eens hadden we per vergissing scherpe paprika gezaaid en onze mond eraan verbrand.

In die tijd ben ik erg ziek geworden. De dokter van het dorp was van mening dat ik niet meer zo hard mocht werken, ik werkte in de landbouw en in het huis met de kinderen. We hadden twee jongens: Meir en Jossie. Meir was twintig maanden en Jossie acht maanden. Bovendien was het klimaat niet goed voor mij. Dus moesten wij naar de stad verhuizen. Akiba ging solliciteren voor een baan in Jeruzalem. In die dagen was het heel moeilijk om een baan te krijgen, toch lukte het Akiba om een baan te krijgen als landbouwleraar. Hij had vijf jaar landbouw gestudeerd in Zwitserland en was al jaren leraar geweest. Nu moest hij examens doen om gediplomeerd te worden. Na een paar jaar slaagde hij met alle examens. We hadden toen al vijf kinderen. Eerst huurden we in een anderhalve kamer woning, later kochten we een zogenaamde “sleutelgeld woning”. Dan betaalde je een zeker bedrag en zo werd je eigenaar van twee derde van de woning, en verder betaalde je maandelijks een lage huur prijs.

Onze sleutelgeldwoning was in de wijk Bait Vegan, en een hele luxe voor ons: twee kamers, een keuken en een badkamer! We hadden een grote tuin- waar de kinderen hun pret opkonden. Intussen waren mijn ouders en mijn jongste zuster Esther geïmmigreerd en woonden bij ons in huis. Een kamer voor hun en een voor ons. Alles kon in die tijd. Intussen was onze derde zoon Abraham geboren. Vader overleed zes weken na de geboorte, in Afulah, niet ver van de kibboets Ein Hanetsif, waar mijn broer Elie woont. Vader werd begraven in de Kibboets. Moeder heeft toen nog twee jaar naast ons gewoond en mij geholpen met de kinderen. Ik werkte als boekhoudster bij een grote fabriek, dus had ik een babysitter nodig. Naderhand is moeder naar de kibboets verhuist. Ze kreeg daar haar eigen kamer, werkte aan de breimachine en was tevreden. Ze heeft daar 28 jaar gewoond, totdat ze in het ziekenhuis in Afulah is overleden. Ze heeft daar een hele mooie oude dag gehad. Ondertussen hadden we drie jongens: Shalom Meir -1953-, Joel Joseph -1954 -en Abraham -1957. Daarna kwamen Tova Ruth -1959-, Beila Judith -1962, Nomie -1965- en Channah Shulamith -1968.

Voor onze living en omdat ik niet meer buiten huis wilde werken, hadden we een winkel opgebouwd. Eerst deden we in boeken, toen in schrijfbehoeften en later in speelgoed en kranten. De winkel was in onze tweekamerwoning. Later kregen we nog een derde kamer die winkel werd. Op een goede dag hadden we de mogelijkheid een winkel te huren aan de straat en werden we een echte winkel. 22 jaar hadden we deze winkel. We hebben heel hard gewerkt, ook de meisjes hielpen veel bij de verkoop. Toen drie meisjes getrouwd waren en ik last kreeg van hoge bloeddruk, moest ik er mee ophouden en ben ik gepensioneerd. In 1983 ging ik met pensioen, nadat ik sinds 1943 gewerkt had. Het was wel vreemd om niet te werken, maar er was altijd wel wat te doen. In 1988 begon ik met schilderen. Dat was iets wat ik nog nooit gedaan had. Ik ging met Channie mee naar een Cursus, en de lerares vroeg me of ik al het materiaal bij me had om te schilderen. Toen ik alles liet zien, zei ze dat ik maar moest beginnen te schilderen. Ik had echter nog nooit een penseel in mijn handen gehad, dus aarzelde hoe te beginnen. Maar kijk eens aan, toen ik eenmaal begon toen ging het! Nu heb ik veel plezier in het schilderen. De kleinkinderen vinden het prachtig om oma’s schilderijen te zien. Ik ben nog wel geen Rembrandt, maar het is toch leuk. Intussen is Chana ook getrouwd en loopt het aantal kleinkinderen op.

Ik heb hun beloofd ook voor hun een autobiografie te schrijven, maar dan natuurlijk in het Hebreeuws. Dit boek is voor de familie Heldens en Verschuren bedoeld. Mijn leven heb ik aan hun ouders te danken, die mij zo liefdevol hebben opgenomen in hun kring. Nooit zal ik dit vergeten. Ook zal ik nooit genoeg mijn dank kunnen betuigen. Alhoewel ik geen schrijfster ben, hoop ik toch dat mijn levensverhaal iets over deze bijzondere en moeilijke geschiedenis van mijn ervaringen heeft weergegeven.

 

Jeruzalem november 1994″

De foto is van het gezin Cohen in 1942. V.l.n.r.: Vader Cohen; Esther; Rachel; Jaap; moeder Cohen; Eli. Voor naast moeder Cohen Batja en Itzak (Piet).

Waar

Wanneer