167
Herinneringen aan oom Sef van Megen

Met dank aan: Jan Huys

“Ik ben geboren in december 1938 in Grubbenvorst op boerderij De Zaar. Ik was dus een klein jongetje toen de oorlog uitbrak. In augustus 1943 mocht ik samen met mijn oudere broer op vakantie bij mijn opa en oma in Broekhuizen, de familie Van Megen, de ouders van mijn moeder. Oom Sef, een broer van mijn moeder, was nog thuis en was onderwijzer in Broekhuizenvorst aan de lagere school. Hij was geboren op 9 december 1916.

Op 19 augustus vroeg in de morgen was er plotseling rond de boerderij van opa en oma een geweldig kabaal met schoten van Duitse militairen. Er was een razzia en men was op zoek naar onderduikers. De familie werd tegen de muur gezet en de onderduiker Meijers uit Venlo zat op zolder en sprong uit het raam. Net bij een Duitser die daar stond. Mijn broer en ik lagen in bed verstijfd van schrik. Ik herinner me dat er Duitsers met het geweer in de aanslag bij ons bed kwamen en vroegen of wij joden waren. We wisten amper wat joden waren. Deze gebeurtenis heeft een onuitwisbare indruk op mij gemaakt en ik ben me altijd blijven interesseren wat er met oom Sef gebeurd was. Men wilde opa meenemen voor verhoor. Hij was 70 jaar. Oom Sef zei: ik ga wel mee, want ik heb ook de onderduiker hier ondergebracht. Wij wisten niet dat hij al in het verzet actief was en illegale blaadjes verspreidde. Ook ving hij Franse en Engelse piloten op en hielp ze naar België en Frankrijk te ontkomen. Ook hielp hij joodse onderduikers onder te brengen. Hij stond o.a. in nauw contact met pastoor Vullinghs van Grubbenvorst.

Hij werd verhoord in Eindhoven, Haren en Utrecht en daar tot 5 jaar tuchthuis veroordeeld voor het verspreiden van illegale blaadjes. Hij werd toen tewerkgesteld in Siegburg in een fabriek. Hij had steeds de hoop dat hij daar kon blijven. Men kende waarschijnlijk zijn werkelijke activiteiten nog niet. Toch is men er achter gekomen. Op 19 juli 1944 wordt hij weer naar Nederland gebracht voor een proces. Hierbij wordt de doodstraf uitgesproken vanwege lidmaatschap aan een verzetsbeweging. Hij komt dan onder de gevangenen met “Nacht und Nebel” veroordeling. Dat wil zeggen vogelvrij en de familie krijgt geen bericht meer. Op 27 juli 1944 wordt hij naar strafgevangenis in Anrath gebracht. Op 5 september 1944 wordt hij overgebracht naar een strafgevangenis in Lütringshausen. Hier was het zeer slecht. Op 2 november 1944 gaat hij naar de strafgevangenis in Hameln. Hier was het een verschrikking.

In april 1945 kwamen inmiddels de Amerikanen dichterbij en werd Hameln beschoten. Er zaten toen in een gevangenis voor 300 personen meer dan 950 gevangenen. Meesten waren buitenlanders. Het hoofd van de gevangenis kreeg opdracht alle buitenlanders (400) te vermoorden. Dat weigerde hij. Toen werd de hele groep, dus zo’n 400 buitenlanders waaronder veel Nederlanders, op mars gezet naar kamp Holzen bij Esscherhausen. Dit was ongeveer 40 km. De Duitse gevangenen werden vrijgelaten. Wie niet meekon werd onderweg doodgeschoten. Velen echter overleden aan zwakte en ziektes en bleven langs de weg liggen. Oom Sef heeft geprobeerd onderweg, met twee anderen, een eind van de weg in een schuur te vluchten. Dat zag een Duitse boer, die heeft de SS gebeld en de drie weggejaagd. De SS heeft hun alle drie langs de weg doodgeschoten. Dit was bij Dohnsen. Ze zijn daar langs de weg begraven.

In juni 1945 heeft de burgemeester van Dohnsen ze laten opgraven en in zinken kisten op het kerkhof aldaar begraven met het opschrift ‘3 onbekende Nederlanders’. Meijers van Venlo, die bij de arrestatie ook opgepakt was, overleefde de oorlog. In maart 1946 heeft hij gezorgd dat oom Sef opgegraven mocht worden. Maar wie was oom Sef van de drie? Een medegevangene uit Sittard die bij oom Sef in Hameln zat en de mars overleefd was bij de opgraving. Hij wist het te vertellen. Kort voor hun vertrek uit Hameln had hij oom Sef een beetje garen geleend om een stukje stof in zijn broek te zetten. Hij herkende het garen in de broek. Zodoende werd oom Sef geïdentificeerd en op 14 maart 1946 in Broekhuizen herbegraven.

Bepaalde momenten vergeet je nooit: de gevangenneming, het plotselinge in huilen uitbarsten van oma: “wat hebben ze toch met Sef gedaan”. Later toen oma een beetje ging dementeren was ze een jaar bij ons op de boerderij. Toen we huisslachting hadden en de keurmeester in een leren jas met zijn brommertje bij ons kwam, stoof oma op hem af: “wat dode geej heer verekte pruus, breng ozze Sef maar terug.”

Een foto is van oom Sef in 1942, toen alles nog “normaal” was, en de andere na zijn arrestatie. De lange brief is vanuit Siegburg toen het nog een beetje ging en hij nog hoop had. De kortere brief is zijn laatste waarin hij zegt dat hij ontslagen wordt. We weten wat dit betekende.

In 2004 heb ik de route die oom Sef heeft gelopen samen met mijn dochter gelopen. Het was 23 kilometer. We hebben toen een kruisje en een roos uit Broekhuizen geplant.”

Tekst: Jan Huys

 

 

Waar

Wanneer