130
Evacuatie naar Groningen

Met dank aan: Thea Smits-Hendriks

Achter deze pop en handnaaimachine gaat een bijzonder verhaal schuil over de oorlog in Noord-Limburg. De pop en naaimachine zijn eigendom van Thea Smits-Hendriks uit Gennep. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog woonden haar ouders Sjef en Fien in een pachtboerderij aan de Pas in Groeningen bij Vierlingsbeek, nabij een weiland aan de rand van het dorp. Het jonge zoontje van het gezin was anderhalf en de moeder zwanger van een tweede kind. Rond 17 september 1944, kort voor het bombardement van Vierlingsbeek, werd het bezette dorp geëvacueerd. De familie dacht dat de oorlog geen effect zou hebben op de afgelegen plek waar zij woonden en besloot daarom niet te vertrekken. Ook de bejaarde broer en zus Rutten uit Klein-Vortum die iets verderop woonden, evacueerden niet en trokken bij het gezin in. Ze deden zich voor als de schoonouders, omdat het verboden was om vreemden in huis te nemen. Uit voorzorg slachtte de familie een varken. Deze werd uitgebeend en in gesteriliseerde flessen gedaan.

Op 12 oktober werd er op de voordeur gebonsd. Toen ze gingen kijken, stond er een Britse Tommy met een getrokken geweer voor de deur. Hij was op de rokende schoorsteen afgekomen en dacht dat in het huis Duitsers verscholen zaten. De Engelsman zei dat de familie snel moest vertrekken omdat ze zich in het frontgebied begaven. Hij sommeerde iedereen direct mee te komen. Hals over kop vertrok het gezin. Tijdens de vlucht naar veilig gebied liepen ze door mijnenvelden, werden ze beschoten en moesten ze onder heggen gaan liggen om zich te beschermen. De Tommy leidde het gezelschap door de velden tot aan Bergen, roeide hen daar de Maas over en zette hen af aan de Bergse kant. Toen moest het gezin teruglopen van Bergen naar Heijen, waar de ouders van de moeder woonden – een tocht van zo’n 10 à 15 kilometer. Al snel ontdekten ze een tegenvaller. Van de zakken die zij thuis hadden klaargezet voor de evacuatie, één met kleren en één met schoenen, had vader Sjef per abuis alleen de zak met schoenen meegenomen.

Toen het gezin twee dagen in Heijen was, kregen ze van de pastoor het nieuws te horen van een tweede evacuatie. Met het dorp Heijen moesten vader, moeder en zoon opnieuw evacueren. Ze werden richting de grens gestuurd, naar Siebengewald – een reis van zo’n 10 kilometer. Na een overnachting in Siebengewald zijn ze onder begeleiding van de Duitsers naar Goch, Kalkar, Rees en vervolgens naar Emmerich gebracht. In een wei bij een pontje kwamen alle evacués uit de regio samen. Ze werden allen met het pondje overgezet en reisden verder in de richting van een verzamelpunt in Velp bij Arnhem. Vanaf daar reisde de ene helft van de groep richting Utrecht en de andere helft naar Groningen en Friesland. Het gezin uit Groeningen trok richting Groningen.

De tocht bestond uit een groot gezelschap, bepakt en bezakt met handkarren, volgepakte kinderwagens en karren met paarden. Onderweg waren er gaarkeukens, maar er was geen mogelijkheden tot wassen. De vrouwen kregen slechts een ontluis-behandeling met poeder. De evacués werden ondergebracht bij verschillende boerderijen in de omgeving. De boeren kregen daar een kleine toeslag voor, 1,75 gulden per week. Men sliep waar dat kon en soms betekende dat een simpel bed van stro tussen het vee in de stal. Gezinnen sliepen soms ook in woonwagens, met de kinderen in een lade onder de vloer. Deze wagens stonden bij de boeren in de schuur en werden normaliter gebruikt als slaapplek voor het personeel. In het rijtuigenmuseum in Leek zijn deze woonwagens nog altijd te zien.

Het gezin van mevrouw Smits-Hendriks kreeg onderdak in Leek, in het turfsteekgebied van Groningen, bij Willem en Ankie van de Lande. De vader had daar in de winter populieren gepland langs het kanaal. Ze stonden daarom bekend als de Sjef-bomen. Aangekomen in Leek was de moeder Fien hoogzwanger. Ze werd op een slachtkar met stro gelegd en naar een voor de zwangere evacués speciaal ingericht gebouw gebracht om te bevallen. Deze was gevestigd aan de stationsstraat 5a in Leek en werd gerund door de arts A.J. van Puffelen en kraamzuster Kraaienga van het Groene Kruis. Mevrouw Smits-Hendriks werd aldaar geboren. Haar grootouders kochten een pop voor de nieuwgeboren kleindochter, sponnen op een spinnewiel draad en maakten er een poppenjurkje voor.

Toen de familie na een lange evacuatietijd terugkwam in Groeningen in Limburg was zowat alles kapot gemaakt en al het ingemaakt voedsel was weg of bewust bedorven. Het gezin kwam in Gennep wonen, waar ook veel was vernield en grote tekorten heersten. Veel mensen hadden in deze periode dingen geleend. Door een speciale regeling moesten zij die geleende spullen op straat zetten, zodat de oorspronkelijke eigenaar ze terug konden vinden. Verder had de Hark, de Hulpactie Rode Kruis uit Boxmeer, een actie opgezet. Mensen konden daar benodigdheden opgeven en dan werd gekeken of ze deze spullen konden leveren. De moeder van mevrouw Smits-Hendriks kreeg zo een handnaaimachine, die op de foto’s te zien is. Op die manier bouwden het gezin hun leven weer langzaam op.

Waar

Wanneer