165
De oorlogsherinnering van Nelly Gellings

Met dank aan: Jan Strijbos

“Wat hadden onze bevrijders een enorme hoeveelheid materiaal bij zich. Ik herinner me de lange rijen vrachtauto’s met een kanon of materiaalwagen als aanhanger die vanuit Leunen, Veulen, Schoor, richting Horst en Klein Oirlo trokken. Urenlang, dagenlang, wekenlang trokken de konvooien voorbij. Ook vanuit de Peel kwamen de rijen soldaten en tanks dagelijks ons huis voorbij. Vaak moesten we met de kar van de weg af om de soldaten met hun transportmiddelen voorrang te verlenen.

Ik herinner me dat het heel andere soldaten waren dan de Duitsers. Ze hadden een andere kleur uniform aan, andere wapens bij zich en ze waren vriendelijk, ondanks dat ze er zeer vermoeid uitzagen. Dan stonden we daar als een stelletje armoedzaaiers langs de weg en zwaaiden met de handen naar de bevrijders, die ons dan kauwgom, snoepjes en niet te vergeten ‘tjoklat’ toewierpen. Heerlijk! Ik krijg nog steeds een dankbaar gevoel over me heen, als ik daar aan terugdenk.

Een week na de terugkeer van onze evacuatie kregen we van de Engelse militairen de keuken, de bijkeuken, de stal, de opkelder en enkele slaapkamers toegewezen. De rest bleef in handen van de Staf van onze bevrijders. Ook de schuur en de ‘schop’, die vol soldaten lagen.

Op een gegeven moment moest mijn vader zorgen voor spek en ‘scheenk’ (ham). Onze voorraad was bijna op. Onder de slaapplaats van de militairen groef hij een groot gat en haalde er een ton met het reeds vóór de evacuatie verstopte vlees uit. Dat vlees, tevoren goed gezouten en gedroogd, had zich uitstekend gehouden. De soldaten keken hun ogen uit en begrepen er werkelijk niets van. “Wat een rare mensen”, zullen ze wel gedacht hebben.

We konden het overigens heel goed met onze medebewoners vinden. We gingen vriendelijk met elkaar om. Ik weet nog dat ik sokken heb gestopt voor de soldaten. Ik had dat op school van juf Derks geleerd. Van de soldaten kreeg ik dan zeep en snoep. Ik stopte het gat in de sokken met een halfronde bol op een handvat. Mensen die kousen kunnen stoppen, weten wat ik bedoel. De soldaten waren er blij mee.

We kregen van alles van de soldaten te eten en te drinken. Ook cacaopoeder. Omdat we nog twee koeien hadden die behoorlijk melk gaven, bracht ik elke dag eigengemaakte chocolademelk naar de soldaten. Ook naar soldaat Ernest Baily die in een commandowagen een administratieve functie had. Met hem heb ik het altijd extra goed gekund. Ik mocht dan als het erg koud was even bij hem in de wagen komen om me te warmen. Ernest was een knappe soldaat met een stevige, zwarte kuif, een vriendelijke man. We werden dikke vrienden.

Het was een vreselijke gebeurtenis, toen op een zondag tijdens de Hoogmis in het Patronaat dat als noodkerk was ingericht, luchtalarm werd gegeven. Alle mensen vluchtten weg naar veilige plekken. Ook de soldaten bij ons zochten beschutting tegen het boordgeschut van de duikende Duitse vliegtuigen. Een van de bij ons gelegerde Engelse soldaten die voor zijn leven rende, werd op het veld door een kogel getroffen en was op slag dood. Die gebeurtenis zal ik nooit vergeten.

Het zal ongeveer in het jaar 1997 zijn geweest, dat ik thuis in Wanssum bezoek kreeg van een Engelse soldaat, een oorlogsveteraan, die in Nederland was om de dodenherdenking in Venray bij te wonen. Hij was vergezeld van een persoon die de Engelse taal goed meester was. Ik kende die oude Engelsman niet. Hij was naar Castenray geweest om naar ons huis te zoeken, maar kon dat logischerwijs niet vinden. Hij kwam toen in contact met Wim Jeuken, onze oud-buurman, die er voor zorgde dat de soldaat bij mij in Wanssum terecht kwam.

Toen hij zijn meegebrachte foto waar hij als soldaat op stond, liet zien, herkende ik hem onmiddellijk aan zijn zwarte haardos. Ik riep uit: “Ernest!” Het was inderdaad niemand minder dan Ernest Bailey, de soldaat die enkele weken in de commandowagen voor de deur van onze boerderij ‘de Pous’ had gestaan en voor wie ik zo vaak de sokken had gestopt en naar wie ik dagenlang chocolademelk had gebracht. Ik kon mijn tranen bij die gedachten slechts met moeite bedwingen. Ook de oude soldaat werd ietwat geëmotioneerd. Het was een hartelijk weerzien. We hebben nog lang gezellig gepraat met de hulp van de tolk. Over allerlei onderwerpen hebben we gesproken. Onze gedachten gingen echter steeds weer terug naar de zware tijd die oorlog heet.

We namen hartelijk afscheid en wensten elkaar alle goeds. We wisselden daarna jaarlijks enkele kaarten en brieven uit, totdat het plotseling ophield. Bij navraag bleek dat Ernest Bailey was overleden. Ik dacht toen aan de tekst van het Engelse lied “Old soldiers never die, they simply fade away.””

Tekst: Nelly Gellings, geboren 14 augustus 1933, uit Castenray

Op de foto staat de boerderij van de familie Gellings aan de Castenraysestraat in Castenray. Links knecht Driek Krops uit Kaulille (B.) en rechts Willy Verhoeven.

Waar

Wanneer