164
De oorlogsherinnering van Jan Martens

Met dank aan: Jan Strijbos

“We zaten thuis in de huiskamer. De Duitse Ortskommandant, die eerder in onze voorkamer zijn onderkomen had, was met zijn staf en de daarbij behorende soldaten kort tevoren vertrokken richting Tienray om een confrontatie met het Engelse leger te voorkomen. Het werd de Duitsers te warm onder de voeten. Het was overigens geen beroerde Ortskommandant en hij was maar wat blij dat de oorlog ten einde liep.

Plotseling hoorden we zwaar motorgeluid, het kwam steeds dichterbij. Voordat we buiten waren, stopte er een pantservoertuig van de geallieerden. Het was een verkenningsvoertuig met een tweekoppige bemanning en uitgerust met een lichte mitrailleur. Hij stopte langs onze boerderij. We hadden zo’n voertuig nog nooit gezien. Ook de kleur was anders dan die van de Duitsers. Een van de soldaten sprong uit het vierwielige voertuig en begon tegen ons te praten. We konden geen woord verstaan, niemand van ons sprak in die tijd ook maar één woordje Engels. Het nieuws van de aankomst van de verkenners ging als een lopende vuurtje door Klein Oirlo. Van alle kanten kwamen er mannen, vrouwen en zelfs kinderen uit de schuiladressen naar onze boerderij om de verkenners te zien en te begroeten. We waren immers bevrijd. Plotseling kwam er uit de richting Tienray Duits vuur in onze richting. De twee Engelse soldaten waarschuwden ons door te roepen en probeerden ons met wilde handgebaren duidelijk te maken dat we dekking moesten zoeken, de schuilkelders in. Het was 23 november 1944. Het begin van onze bevrijding.

De beide Engelse soldaten liepen om onze boerderij heen om vast te stellen uit welke richting het Duitse geweer- en mitrailleurvuur kwam. Ze stelden vast dat het vuur uit de struiken en bosjes, wat wij toen de ’Paes’ noemden, kwam. Dat is ongeveer de plek waar de Lollebeek in de Groote Molenbeek stroomt. Ze moesten immers als verkenners verslag uitbrengen aan hun commandanten. Een van de soldaten maakte aantekeningen. Nadat het Duitse vuur voorbij was, sprongen de twee soldaten weer op de gevechtswagen en reden langzaam enkele kilometers richting Tienray. Toen zij geen vuur meer kregen van de Duitsers, keerden ze en reden bij Seijkens via de brug over de Lollebeek weer richting Horst, terug naar hun basis om verslag uit te brengen. Er gebeurde die dag niets meer. De vele mensen die in Klein Oirlo geëvacueerd waren, hadden de bevrijders gezien, maar waren hevig geschrokken toen de Duitse soldaten hun richting uit schoten. Angst en vreugde vochten om voorrang. Zouden de bevrijders terugkomen?

Daags erna, op 24 november 1944, zaten in onze huiskamer ongeveer tien Engelse soldaten. Een van die soldaten was een geneeskundig soldaat. Ik zat bij hem op de knie. Hij probeerde met woorden, maar vooral met gebaren mij duidelijk te maken dat ze ons kwamen bevrijden en dat ze allerlei lekkers hadden meegebracht. Ik kreeg van hem kauwgom en vooral repen chocolade. Ik vond het een leuke soldaat en ik raakte een beetje bevriend met hem. Op een gegeven ogenblik kwam Sjang Classens, die in Horst-Oostenrijk zat ondergedoken, voor hulp om een gewonde burger medische bijstand te verlenen. Er was nergens een dokter te bereiken. Het bleek dat Martien Hellegers door het Duitse geweervuur zwaar gewond was, toen hij in het veld onder een van de mijten zijn fiets wilde halen, die hij daar had verstopt. Onder het grote aantal evacués, dat gedurende meer dan zes weken in onze boerderij onderdak had gevonden, bevond zich ook pastoor Gerards uit Oirlo. De pastoor fungeerde als tolk tussen Sjang Classens en de Engelse commandant. De Engelse commandant wees echter de hulp aan de burger af. Hij vond dat voor zijn geneeskundig soldaat een te groot risico, omdat er nog Duitsers in de bosjes zaten.

Korte tijd later echter kwam de commandant terug op zijn besluit en riep de geneeskundig soldaat bij zich en zei tegen hem, dat hij mocht gaan als hij dat wilde, geheel op vrijwillige basis. De soldaat twijfelde niet lang en ging met Sjang Classens mee naar de plek, waar de zwaar gewonde Martien Hellegers zich bevond. Ik vond het helemaal niet leuk dat ‘mijn’ soldaat wegging. Ik was een kleine jongen en begreep niet altijd alles wat er op militair gebied werd besproken en gedaan. Daar aangekomen werden Sjang en de Engelsman door Duitse soldaten verrast en de geneeskundig militair werd, al of niet gewond, meegenomen richting Tienray. Toen de hulpsoldaat na enige tijd nog steeds niet terug was, ging de commandant met enkele soldaten op onderzoek uit. Hij hoorde bij Hellegers dat de hulpsoldaat door de Duitsers als krijgsgevangen was meegenomen. Onverrichterzake en zonder geneeskundig soldaat keerde de commandant met zijn soldaten terug naar onze boerderij. Ik was erg bedroefd dat ‘mijn’ soldaat nog steeds niet terug was, ik miste hem heel erg en niet alleen om de chocoladerepen. Sindsdien is niets meer van hem vernomen.

Enkele jaren geleden hoorde ik dat de gebroeders Peeters uit Swolgen (een van hen heette Jan en was onderwijzer te Lottum) op bevel van de Duitse soldaten een gewonde Engelse soldaat op een handkar vanuit Tienray naar Swolgen naar huisarts Knippenberg moesten brengen. Deze dokter kon na onderzoek de gewonde militair helaas niet helpen. Toen moesten de jongens hem naar Broekhuizen vervoeren en hem achterlaten bij de veerpont. Wat daarna gebeurd is met de gewonde Engelse soldaat, is niet bekend. Later hoorde ik dat gewonde Engelse soldaten uit de omgeving naar het ziekenhuis in Gelre werden gebracht. Zwaar gewonden die overleden, werden begraven op het Engelse soldatenkerkhof in het Reichswald. Het kerkhof heet: Reichswald Forest War Cemetery en ligt aan de Grunewaldstrasze in Kleve.”

Tekst: Jan Martens, geboren 15 februari 1933, uit Castenray

Op de foto staat de joodse onderduiker Curd Löwenstein in 1943 bij de familie Martens in Klein Oirlo.

Waar

Wanneer